Voorbij de puls: ‘Iedereen is op zoek’

Visserij Nederlandse pulsvissers moeten terug naar de zware stalen kettingen van de ouderwetse boomkor. In een lab in Stellendam zoeken ze naar alternatieven. „De puls is lastig te evenaren.”

Vanuit restaurant De Zeemeeuw kijk je neer op kotters die vanuit de Buitenhaven in Stellendam de Noordzee op varen. Aan de overkant van de straat staat de loods van het Visserij Innovatiecentrum, waar vandaag op het droge wordt gevist. In de loods staat een 32 meter lang bassin met zeewater en een zandbodem. Twee mannen slepen het metalen en plastic tuigwerk naar het begin van de bak en laten het er met een plons in vallen.

In het bassin kunnen vissers een ontwerp voor hun vistuig uittesten. En nieuwe technieken zijn broodnodig sinds het Europees Parlement in april instemde met een definitief verbod op pulsvisserij – ondanks verwoede pogingen van Nederland een ontheffing in stand te houden. Hier was met 84 kotters al fors ingezet op de techniek, waarbij de tong, een platvis, kort verkrampt door middel van kleine stroomstoten. Het pulsnet is lichter dan de oude boomkor – een net met zware kettingen die over de zeebodem slepen om zo de platvissen in het net te jagen – vissen kost daarom minder brandstof en zorgt bovendien voor minder bijvangst en meer tong.

Maar volgens hun Franse en Engelse collega’s leidde de techniek tot oneerlijke concurrentie in het voordeel van Nederland, en was niet voldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen voor de zeebodem en andere dieren. Milieuorganisaties streden met succes tegen de elektrocutie van vissen – ze vreesden dat elektrisch vissen het zou leiden tot overbevissing.

Vissers en bemanningsleden maken zich volgens branchevereniging VisNed grote zorgen. „In januari moeten zo’n twintig schepen stoppen, en ik weet al van meerdere schippers dat hun bemanning heeft bedankt”, aldus Pim Visser, VisNed-directeur. Eenmaal teruggekeerd naar de boomkor daalt de winst mogelijk fors door de gestegen brandstofkosten. Om innovaties in de visserij te stimuleren kende Minister Carola Schouten (Landbouw, ChristenUnie) begin dit jaar vijftien miljoen euro toe aan de sector. Maar pulsvissers zijn hier niet mee gerustgesteld, zegt Visser: „Ze zijn moedeloos, murw geslagen, sommigen zeggen: ‘waarom moet ik innoveren voor iets dat ik al heb’?”

Nieuwe net-ontwerpen

Toch is een subsidie voor de meeste vissersbedrijven nodig om een nieuw ontwerp net te testen, want testen op zee is duur: het kost brandstof en salaris van de bemanning, die afhaakt bij weinig of geen visvangst – zij worden immers betaald naar de opbrengst. Volgens VisNed bestaat bijna de gehele Nederlandse vloot uit familiebedrijven met op z’n hoogst enkele schepen. Die hebben in de meeste gevallen niet zomaar geld en tijd om nieuwe technieken uit te proberen.

„Iedereen is op zoek naar een alternatief”, zegt Richard Martens, projectleider bij het Innovatiecentrum. „Daarom wilden we vissers laagdrempelig hun net-ontwerpen kunnen laten testen. Dat kan hier, mede door de afstand, vele malen goedkoper dan in Denemarken of Frankrijk, waar ook soortgelijke tanks staan.” Tijdens een proef in het bassin wordt vooral gekeken naar hoe het net over de bodem sleept. Meestal is de bak leeg, soms worden ook vissen of garnalen gebruikt om te zien wat het net kan opscheppen. In dat laatste geval moet een onderzoeker aanwezig zijn die de experimenten met de dieren begeleidt. Na een experiment in het bassin kunnen vissers de zee op – in de bak met zeewater kun je geen visvangst meten – of passen ze hun ontwerp aan. „En soms blijkt het in de praktijk niets”, zegt Martens.

Het bassin met zeewater van het Visserij Innovatiecentrum om vistuig in te testen. Foto David van Dam

Op een grote tafel in de loods staan bijna twintig soorten miniatuur-visnetten uitgestald. Bij het pulsvisnet lopen tientallen lange draden in de opening van het net. „Tussen die draden wordt dan een spanningsveld gecreëerd dat de vissen in een korte stuip jaagt van één à twee seconden”, legt Pieke Molenaar uit. Hij is onderzoeker bij Wageningen Marine Research en houdt zich bezig met visserijtechnieken. „De puls wordt voornamelijk voor tong gebruikt. Dat is een heel gespierde vis, dus die reageert daar goed op,” zegt hij terwijl hij de staart en neus van een plastic tong-exemplaar ombuigt.

Er zijn al wel veel ideeën over hoe je op een andere manier de platvissen uit het zand vandaan kunt woelen en in het net vangen. Zo zou één net met speciale kommetjes waterwervelingen boven de bodem kunnen maken om vis los te weken, in plaats van de stalen kettingen van de ouderwetse boomkor.

Andere ontwerpen woelen met kleine harkjes door de zeebodem, of jagen de vissen uit het zand met luchtdruk. Voor dit soort technieken geld geen verbod zoals officieel voor pulsvissen, zegt Martens. „In de Europese verordening is het vissen met gif, dynamiet en stroom expliciet verboden. Harkjes of waterjets niet.”

Cees van Eekelen uit Den Oever, al 55 jaar visser, laat vandaag zijn ontwerp testen in het Innovatiecentrum: een vistuig met aan de onderkant metalen vleugels die vlak over de bodem strijken, en metalen harkjes die een paar centimeter in het zand steken. Met zijn zoons vist hij met twee schepen op garnalen, langoustines en vis. Ze gebruiken geen pulsnetten, maar wel wil Van Eekelen weten of hij het bodemcontact van zijn netten kan verminderen. „Ik ving veel jonge vissen en dat voorkom je liever als het even kan.” Mogelijk werkt dit ontwerp ook voor platvissen zoals tong.

In het pershouten kantoor en bedieningsruimte naast de waterbak staat koffie klaar en loeit de verwarming. Op vier monitoren volgen we hoe het tuigwerk met 3,5 knopen (bijna 6,5 kilometer per uur) in vijftien seconden door de waterbak sleept. De harkjes woelen door de zandbodem, de metalen platen kanaliseren de waterstroom, die vervolgens over witte plankjes heen wordt getild en zo in de opening van het net terecht moet komen. Het net zelf hangt er nu niet achter, dat komt pas op zee. De proef eindigt met een grote stof- en zandwolk, stukjes zeewier vliegen op en dalen weer neer.

De mannen wijzen en bespreken wat er wel en niet te zien was. Elke keer als we het net door de bak slepen veranderen we iets aan de opstelling”, legt Molenaar uit. Met de toevoeging van zwarte rubberen schijven aan de achterkant van het tuig, wat normaliter de opening van het net aftekent, lijkt het nu wat stabieler over de grond te slepen. Martens: „Vanochtend lieten ze het tuig over een heuveltje gaan, om te zien of ’ie aan de grond blijft. Want je wilt niet dat het net gaat zweven en pas een eind verderop landt. Dan mis je grondcontact en dus vis.”

‘We hebben geen keuze’

„Puls was een Nederlandse oplossing voor een Nederlands probleem”, zegt Pim Visser. Een mogelijk alternatief zal dan ook niet uit het buitenland komen. „Onze tongvisserij heeft tachtig procent van het quotum op de Noordzee in handen, waar puls heel geschikt is voor de relatief vlakke bodem. Op het Kanaal is nog wel tongvisserij, maar daar zijn de bodem en vissamenstelling heel anders. Op België na waren andere landen dan ook niet echt geïnteresseerd in de pulstechniek.”

De pulstechniek was pas na jarenlang testen en aanpassen klaar voor commercieel gebruik. Martens verwacht dan ook niet binnen een paar jaar een goed alternatief: „Het is moeilijk om de puls te evenaren.”

Lees over hoe de vissers het gevoel hebben ‘terug in de tijd’ te moeten.

Cornelis Vrolijk, met een grote kottervloot in Scheveningen, lijkt een van de uitzonderingen tussen de pulsvissersvloten. Het familiebedrijf breidde de afgelopen jaren zijn vloot uit tot dertien schepen die vissen op onder andere tong en schol. In 2010 verving het bedrijf de boomkornetten met pulstuig voor de platvisserij. „Maar anderhalf jaar geleden zijn we begonnen met een alternatief zoeken”, zegt Anton Dekker, manager van de vloot.

In plaats van elektrische pulsen ziet het bedrijf wel heil in waterstraaltjes die schuin van boven in het zand blazen en zo de tong losweken. Er zijn de afgelopen maanden proeven gedaan, volgens Dekker succesvol: „Het gebruik van de waterstraaltjes, met een druk van een paar bar, kost net zo weinig brandstof als de puls. En hoe gek het ook klinkt: hoe lager de druk, hoe beter het resultaat.”

Wel kan de samenstelling van de vangst nog veranderen. Dekker: „We lopen nu nog wat achter met de tong, maar vangen wel meer schol.” Komende lente wil hij twee kleine schepen de zee op sturen voor de echte praktijktest. Het ontwerpen van een nieuw net kost volgens de vlootmanager „veel bloed, zweet en tranen.” Maar ja, zegt hij, „We hebben geen keuze, we moeten een alternatief hebben.”