Recensie

Taalplezier zonder het G-woord

Recensie Liesbeth Koenen verwondert zich over taal in een vlot en spitsvondig boek.

Een paradox: taalwetenschappers en taaljournalisten noemen taal nogal eens ‘een wonder’ – terwijl de wetenschappelijke aanname toch zou moeten zijn dat alles wat zo wonderlijk lijkt aan taal, uiteindelijk heel goed begrepen en verklaard kan worden en dus geen ‘wonder’ is.

Liesbeth Koenen publiceerde in 1990 een inmiddels klassiek boek over de grote taalwetenschappers van die tijd, Het vermogen te verlangen. De verwachtingen waren toen hooggespannen. Eindelijk zou de wetenschap gaan begrijpen waarom talen zijn zoals ze zijn.

Koenens nieuwe boek, Wat je zegt, gaat vanzelf, een bundeling van 67 columns die ze voor De Telegraaf schreef, laat zien dat de wetenschap, dertig jaar later, nog veel dingen niet begrijpt. Gelukkig maar. Daardoor is er in dit vlot geschreven en spitsvondige boek volop ruimte voor verwondering.

Oprechte verwondering, bijvoorbeeld als Koenen zichzelf in het zwembad hoort zeggen: „Hé joh, zwem eens niet zo in de weg.” En gespeelde verwondering, als ze zich er, na veertig jaar schrijven over taal, over verbaast dat je van een de-woord een het-woord kunt maken door het te verkleinen.

Koenen schrijft over woorden die ze raar vindt. ‘Onafscheidbaar’. ‘Aangeven’. Over rare zinnen: ‘Ik was in Sancerre en ik dronk het.’ Over het nut van vloeken: dan heb je minder pijn, dat is experimenteel aangetoond. Over hoe onder doven spontaan een ingewikkelde en veelzijdige gebarentaal kan ontstaan. Over mensen die opeens niet meer kunnen spreken. In de helft van deze columns schrijft ze over grammaticale eigenaardigheden, meestal zonder ‘het G-woord’ (‘grammatica’) in de mond te nemen, „want dan lopen velen van u weg”.

In 1990 dachten veel wetenschappers dat we die grammatica weldra helemaal zouden begrijpen en doorgronden. Helaas, dat is nog niet helemaal gelukt. Koenen geeft voorbeelden. Waarom zeggen we ‘Clara verkoopt Kees vlees’, maar niet ‘Clara verkoopt ’m ’t’ maar ‘Clara verkoopt ’t ’m’? We weten dát het zo is, maar we weten niet wáárom het zo is.