Recensie

Recensie Boeken

Schoonheid die onweerstaanbaar én angstaanjagend is

Het is eeuwig jammer dat de Noorse schrijver Tarjei Vesaas (1897-1970) nooit is vereerd met de Nobelprijs voor Literatuur, al gonsde in de jaren zestig zijn naam rond. Nu in de afgelopen twee jaar twee van zijn romans in Nederlandse vertaling zijn verschenen, kan de lezer kennismaken met werk van buitengewone kwaliteit. Dat geldt zowel voor De vogels (1957) als Het ijspaleis (1963).

Collega-schrijver Karl Ove Knausgård noemde De vogels ‘de beste Noorse roman ooit geschreven’. Het gaat over de eenzelvige jongen Mattis die samen met zijn zus leeft in een verlaten dorp. Zijn werk bestaat uit het over en weer roeien van mensen. Totdat een houthakker zijn intrede doet in hun besloten wereld, met noodlottige gevolgen. Vesaas beschrijft weergaloos de eenzame natuur van Noorwegen met de stilte, de weidsheid.

Het ijspaleis (Is-slottet) speelt zich opnieuw af in een verlaten dorp. Twee jonge meisjes sluiten vriendschap, de energieke en sociale Siss met het teruggetrokken meisje Unn. Op meesterlijke wijze roept Vesaas de toenadering op tussen beide meisjes waarin schuchterheid overheerst, een schuchterheid die geleidelijk plaatsmaakt voor prille erotiek. Vooral Unn raakt zo betoverd door Siss dat het haar evenzeer verontrust als opwindt.

De werkelijke hoofdpersoon uit de roman is het ijspaleis zelf, een bevroren waterval in een fjord die een magische aantrekkingskracht heeft op de schoolkinderen, en ook op Unn en Siss. De fonkeling van licht op het blauwe ijs, de grillige constructie, de diepe kloven. Het schitterende bouwwerk van ijs is angstaanjagend en onweerstaanbaar tegelijk.

Als in een horrorflim gaat Unn dieper en dieper het paleis binnen, ze laat zich meeslepen door haar verlangen de absolute witte schoonheid te ondergaan. Wanneer na de lange, ijzige winter de zon gaat schijnen verandert alles in deze bevroren wereld: ‘IJskoude bliksemflitsen schieten uit alle barsten in het paleis, naar het lege land en de ruimte in. Het verloop van de dag verandert hun vorm en richting, maar het bliksemt van binnenuit naar buiten, naar de zon.’ En: ‘Het ijspaleis stond sidderend in een dwingende stroom. Zou verbrijzeld worden. Dat trok aan je. Je moest erheen.’

Door het warme zonneschijnsel begint het ijspaleis te smelten en stijgt het zwarte rivierwater.

En Unn? Siss gaat wanhopig op zoek naar het meisje dat ze maar niet uit haar hart kan bannen. Deze liefdesroman is groots dankzij de poëzie waarmee Vesaas een ijzige wereld oproept die schitterend contrasteert met de gloeiende gevoelens van de meisjes voor elkaar. Het ijspaleis is een boek dat vraagt om herlezen te worden, want Vesaas suggereert meer dan hij beschrijft.

De bekoring die uitgaat van het bevroren, onheilspellende natuurschoon weet hij prachtig te beschrijven, zoals in deze passage, die door Marin Mars voortreffelijk is vertaald: ‘De lentewinteravond veranderde het landschap in een nevelig, onrustig patroon dat langzaam langs je oog trok, een langzaam glijdende muur aan weerszijden van je.’ Fascinatie voor de macht van de natuur én angst in een enkele zin gevangen, en dat geldt voor elke zin in dit klassieke meesterwerk uit de Noorse literatuur.