Recensie

Recensie Boeken

De vergeten Afrikaanse soldaten van de Eerste Wereldoorlog

David Diop De Afrikaanse soldaten die meevochten in de Eerste Wereldoorlog krijgen indringend en rauw literair eer bewezen.

Wie door het Frans-Belgische grensgebied rijdt – Ieper, Poperinge, Belle – ontkomt niet aan de geschiedenis. Het landschap, de bomen, de voren in de aarde, de begraafplaatsen – allemaal verwijzen ze naar de verschrikkingen in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Er wordt eer betoond aan de gevallenen, in musea, in wegwijzers, in herdenkingen. Maar die eer gold zelden de Afrikaanse soldaten uit Senegal en andere West-Afrikaanse landen, die hun leven gaven om Europa van de bezetter te ontdoen.

In zijn boek Meer dan een broer brengt David Diop (1973) die groep onder de aandacht – indringend en rauw. Met succes: zijn boek kreeg in Frankrijk de prix Goncourt des Lycéens, wordt in veel talen vertaald en is ook in het buitenland bekroond.

In zijn boek zitten we in het hoofd van Alfa Ndiaye, een jonge Senegalese vrijwilliger in het Franse leger. En: in de loopgraven, in de modder, het bloed, het geschreeuw, de pijn. We bevinden ons tussen de Diallo’s en de Kourouma’s, de Ndours en de Ba’s, allemaal ‘bruinnekken uit donker Afrika’ tegen wie de Franse commandant Armand zegt dat ze de dappersten onder de dapperen zijn. Dat Frankrijk hen dankbaar is. Dat Frankrijk hen bewondert. En dus ‘komen ze met plezier schuivend op hun buik tevoorschijn om zich schreeuwend als woeste krankzinnigen, met het voorgeschreven geweer in hun linkerhand en het kapmes van een wilde in hun rechterhand, nog beter te laten afslachten’.

Afgehakte hand

Maar de jonge Alfa Ndiaye weet beter. Hij denkt na. Hij weet dat ze willen dat hij niet denkt. Hij weet dat de commandant wil dat ze ‘voor wilden spelen’ – om de Duitsers extra af te schrikken. Ndiaye heeft dienst genomen samen met Mademba, zijn vriend, zijn meer-dan-een-broer. Mademba is in zijn armen gestorven, ‘reutelend, temidden van (zijn) darmen’. Sindsdien blijft Alfa Ndiaye na een aanval vanuit de loopgraven langer weg dan zijn medesoldaten. Hij neemt wraak. Schuivend op zijn buik in de modder maakt hij slachtoffers, kijkt in hun ‘blauwe kijkerogen’ en laat hen hetzelfde lot ondergaan als zijn meer-dan-een-broer. Vervolgens hakt hij hun hand af. Een hele verzameling legt hij aan.

Maar dat is niet de bedoeling: zowel de ‘bleekscheetsoldaten’ als de ‘bruinneksoldaten’ vinden het al te vreemd worden. ‘In de beschaafde oorlog’ mag zoiets niet, verkondigt de commandant. Ndiaye krijgt een tijdje rust, in de achterhoede. Op het slagveld ‘willen ze alleen maar voorbijgaande krankzinnigheid’.

Zo trekt de verteller ons mee zijn gruwelijke universum in, zijn waanzin en zijn einde tegemoet. In korte, ongepolijste zinnen vermengt hij zijn heden met herinneringen aan zijn ouders, zijn dorp en het meisje op wie hij verliefd was. Weg van de loopgraven denkt hij terug aan wat en wie hij heeft achtergelaten. Afkomstig van de aarde die voedt met rode bonen, gierst en watermeloenen, is hij beland in een aarde van dood en verderf.

In zijn hoofd neemt de chaos toe, die Diop ongefilterd met ons deelt. Totems, tovenaars, granaten, zielenverslinders, de eer van de familie, palmeekhoorns en tortelduiven, heden en verleden – het loopt allemaal door elkaar heen, culminerend in een apotheose van fabel en gekte. Hier wordt op felle literaire wijze een vergeten geschiedenis recht gedaan. Voortaan zullen we anders kijken naar die toch al zo beladen Frans-Belgische grensstreek.