Is Nederlandse plan mededingingsregels in Europa noodzaak, of symboolpolitiek?

Zeven vragen Het Europese mededingingsbeleid is toe aan vernieuwing: maar hoe? Parijs en Berlijn willen een soepeler model, Nederland juist strenger.

Het Brabantse VDL zou een Nederlandse aanbesteding voor de bouw van bussen hebben verloren van het Chinese BYD, dat overheidssubsidies krijgt.
Het Brabantse VDL zou een Nederlandse aanbesteding voor de bouw van bussen hebben verloren van het Chinese BYD, dat overheidssubsidies krijgt. Foto Getty Images

Industriepolitiek om Europese kampioenen te creëren, meer coulance voor groene kartels, ondersteuning en bescherming van ‘cruciale’ sectoren van de economie. Het zijn ideeën die kort geleden nog onverenigbaar leken met de fundamentele uitgangspunten van de EU, wereldwijd een toonbeeld van streng en onafhankelijk mededingingsbeleid. Maar nu winnen ze snel aan populariteit in de lidstaten.

De tijden zijn ingrijpend veranderd, is het argument dat steeds vaker klinkt, en dus voldoen bestaande mededingingsregels niet meer. Volgens een recente verklaring van de Europese Raad over dit onderwerp ziet de EU zich geconfronteerd met een „ongekend aantal nieuwe uitdagingen en megatrends”, variërend van klimaatverandering tot „digitale disruptie” en globalisering, gecombineerd met groeiend protectionisme in vooral China en de VS.

Ook Margrethe Vestager, Eurocommissaris voor mededinging, onderkent de impact van bovenstaande ontwikkelingen op de Europese economie. Eerder deze week had ze het in een speech nog over een „aardbeving” op de Europese markten.

Tot zover de overeenstemming. Want wat er nu precies moet gebeuren, daarover lopen de meningen sterk uiteen. Duitsland, Frankrijk en Polen willen de mededingingsregels versoepelen, zodat megafusies tussen Europese bedrijven voortaan makkelijker toestemming krijgen. Nederland is bang dat daarmee de concurrentie bínnen de EU wordt aangetast, en dat de prijzen gaan stijgen en consumenten schade lijden. Vorige week kwam Nederland met een tegenbod. Zes vragen over dit Nederlandse plan.

1 Wat stelt Nederland precies voor?

Kort gezegd komt het Nederlandse voorstel erop neer dat de Europese mededingingscommissaris juist strenger moet worden – voor bedrijven van buiten de EU welteverstaan. Regels die nu al van toepassing zijn op Europese bedrijven gelden wat Nederland betreft straks voor iedereen. Zijn er signalen dat een niet-Europees bedrijf een machtspositie op zijn thuismarkt of overheidssteun misbruikt om de concurrentie binnen Europa te verslaan, dan kan de Commissie een onderzoek instellen. Aanwijzingen zijn onder meer dat een bedrijf producten of diensten aanbiedt tegen dumpprijzen, of onrendabele investeringen doet. Blijkt er inderdaad sprake van oneerlijke concurrentie, dan kan de Europese Commissie boetes opleggen, overnames blokkeren, verplichten een transparante boekhouding te voeren, ingrijpen in het bestuur van Europese dochterondernemingen of, in het uiterste geval, een bedrijf weren van de interne markt.

2 Voor welk probleem is dit precies een oplossing?

Alles draait om het herstel van een „gelijk speelveld”, zo benadrukt Nederland. Dat wijkt af van de vertroeteling van Europese spelers die Frankrijk en Duitsland voorstellen.

Overheden buiten Europa, onder meer China, steunen hun voornaamste bedrijven met subsidies, goedkope financiering, voorrang bij aanbestedingen, noem maar op – allemaal voordelen die Europese spelers niet hebben. „Die stellen hen in staat marktaandeel op te bouwen op de Europese interne markt, ten koste van andere ondernemingen”, schrijft Nederland in het voorstel.

Dat kan „op korte termijn” fijn zijn voor consumenten, zolang die profiteren van lagere prijzen. Maar het raakt „het innoverende vermogen” en de „geo-economische slagkracht” van de EU, stelt Nederland.

3 Zijn hier voorbeelden van te noemen?

Dit ligt gevoelig. Zonder hard bewijs noemen politici en beleidsmakers liever geen namen. In de brief aan de Tweede Kamer waarin staatssecretaris Mona Keijzer (Economische Zaken en Klimaat, CDA) het mededingingsvoorstel uiteenzet, verwees ze naar de Chinanotitie van het kabinet van mei dit jaar. Dat duidt erop dat het voorstel in ieder geval oneerlijke concurrentie uit China moet tegengaan.

Ook opvallend: vorige week schreef Het Financieele Dagblad dat VDL uit Brabant een grote Nederlandse aanbesteding heeft verloren van het Chinese BYD voor de bouw van 259 bussen voor vervoersmaatschappij Keolis. Volgens de krant zou BYD eerder miljardensubsidies hebben gehad van de Chinese overheid. Verder klagen Europese luchtvaartmaatschappijen al jaren over oneerlijke concurrentie van gulf carriers als Emirates, die zouden profiteren van illegale staatssteun.

Lees verder: Ook handelskampioen Nederland wil nu protectie tegen China

4 Heeft de Europese Commissie nu al instrumenten tegen oneerlijke concurrentie?

Zeker. De Europese Commissie kan ingrijpen als een niet-Europees bedrijf zijn machtspositie op de Europese markt misbruikt. Denk aan de miljardenboetes voor Google vanwege misbruik van Android, het mobiele besturingssysteem, en zijn dominante positie in de onlineadvertentiemarkt. Alleen: ingrijpen kan pas nadat het leed is geschied. Het Nederlandse voorstel moet de optie creëren op te treden vóór er sprake is van machtsmisbruik in Europa.

Daarnaast kan Brussel antidumpingmaatregelen nemen als blijkt dat niet-Europese bedrijven oneerlijk concurreren door producten onder de kostprijs te verkopen binnen de EU. De Commissie kan in zo’n geval heffingen opleggen. Een bekend voorbeeld is de heffing op Chinees staal, maar ook bijvoorbeeld elektrische fietsen uit China worden aan de Europese buitengrens belast.

Het probleem met dit handelspolitieke wapen is dat het alleen toepasbaar is op goederen die van buiten de EU komen. Diensten zijn uitgezonderd (en worden ook minder verhandeld). Belangrijker: op gedrag van niet-Europese bedrijven of hun dochterondernemingen bínnen de EU hebben antidumpingheffingen geen vat.

5 Hoe kansrijk is het Nederlandse voorstel?

Moeilijk te zeggen. Dat er sprake is van oneerlijke concurrentie wordt nauwelijks betwist. Volgens een woordvoerder van de Nederlandse vertegenwoordiging in Brussel is er bovendien „brede steun” voor het Nederlandse voorstel. Maar Frankrijk en Duitsland lijken meer te zien in versoepeling van de mededingingsregels. Daarbij komt dat juristen vraagtekens zetten bij de uitvoerbaarheid van het Nederlandse voorstel. „Principieel juich ik dit soort maatregelen van harte toe”, zegt Tom Ottervanger, hoogleraar mededingingsrecht in Leiden. „Maar je moet onderzoek doen in landen buiten de EU. Dat is heel lastig.”

Ook zijn Groningse collega Hans Vedder (RuG) is sceptisch. Hij wijst erop dat staatssteun via subsidies vaak niet duidelijk zichtbaar is. „Hoe ga je aantonen dat er subsidie is verstrekt als een partij bijvoorbeeld goedkoop een kantoor kan huren in zijn thuismarkt?” Vedder vermoedt bij het Nederlandse voorstel „een zekere mate van symboolpolitiek” en betwijfelt of het veel toevoegt aan de instrumenten die Brussel al heeft. Vedder: „En als je oneerlijke concurrentie vermoedt bij een aanbesteding kan een bedrijf gewoon naar de dichtstbijzijnde rechter stappen.”

6 Hoe kijken economen naar de Nederlandse plannen?

Maarten Pieter Schinkel, hoogleraar economie aan de UvA, spreekt van een „sympathiek” maar „rommelig voorstel”. Het lijkt hem vooral tegen (te) goedkope producten gericht, maar waarom dat nu precies schadelijk is voor het concurrentieproces blijft onduidelijk. Schinkel: „Gaat het om roofprijzen, waardoor Europese bedrijven failliet zouden gaan, waarna de Chinese partij de prijzen weer kan opvoeren? Dat staat er niet. En echt belangrijke dingen zoals infrastructuur en privacy moeten we toch op een andere manier dan via het mededingingsrecht kunnen beschermen”.