Tweehonderd Syrische gezinnen in Rotterdam; het eerste onderzoek

Statushouders De filantropische stichting die huizen kocht voor 200 gevluchte gezinnen uit Syrië, wilde hen helpen snel te integreren. Onderzoekers bekijken nu voor het eerst of hun aanpak werkt. „We zien een groep met een hoge arbeidsmoraal die graag wil integreren, maar die te maken krijgt met veel knelpunten.”

‘Shahbadam Syrische producten’ staat op het raam van de supermarkt van Hussam Nema (29) in Hoogvliet. „Shahba is een andere naam voor Aleppo”, legt Nema uit „En -dam is van Rotterdam.” In de winkel overheerst de geur van olijfoliezeep uit Aleppo. Achter de kassa hangen fel gekleurde slangetjes voor waterpijpen. Op de schappen liggen zakken met griesmeel, potten druivenbladeren en dadelsiroop uit Basra. Aan een haak hangen kettingen van gedroogde okra’s voor in stoofpotten. „Het gaat goed”, zegt hij. „Ik heb klanten uit Syrië, maar ook uit Nederland, Irak en Suriname. Over een aantal jaar wil ik uitbreiden.”

Nema verhuisde ruim drie jaar geleden vanuit Aleppo naar Rotterdam. Hij is, samen met zijn vrouw en drie kinderen, een van de ruim 200 gezinnen die werden opgenomen in het programma van Stichting Nieuw Thuis Rotterdam (SNTR). Bijna vier jaar geleden richtte de filantropische stichting De Verre Bergen dit integratieprogramma op met als doel ruim 200 gevluchte gezinnen uit Syrië „zelfredzaam te laten zijn en zo snel mogelijk onderdeel van de maatschappij”, zegt programmadirecteur Sayida Goedhoop. Onderzoekers van de Erasmus Universiteit bekijken of het programma daarin slaagt. Maandag wordt het eerste deel van het onderzoek gepresenteerd.

De stichting kocht tweehonderd woningen verspreid over Rotterdam met een waarde van ongeveer 100.000 euro. In 2016 kwamen de eerste 35 gezinnen, het jaar later nog eens 140 en vorig jaar 35. Tientallen werknemers en vrijwilligers van SNTR stimuleren en ondersteunen de gezinnen. Deelnemers krijgen een taalcursus, kinderen worden bijgespijkerd tijdens de Zomerschool en jongeren krijgen hulp bij het kiezen van een opleiding.

Ongeveer veertig gezinnen hebben het traject van drie jaar inmiddels afgerond. Zeventig Syriërs hebben nu een betaalde baan. Vijf nieuwkomers runnen een eigen bedrijf, zoals Hussam Nema. Nog eens honderd statushouders volgen een opleiding (meestal op mbo-niveau) en 51 lopen stage. 120 nieuwkomers doen vrijwilligerswerk en twee gezinnen zijn teruggekeerd naar Syrië of Libanon. „Maar de meesten blijven. Zij hopen dat hun kinderen hier een goede toekomst op kunnen bouwen”, zegt Goedhoop. En oh ja, er werden de afgelopen jaren bijna tachtig baby’s geboren.

Vrouwelijke statushouders vaak onder de radar bij werkbegeleiding

Dat zijn de cijfers, maar betekent dat ook dat het intensieve programma haar doel bereikt? Komende maandag wordt het eerste onderzoek van de Erasmus Universiteit gepresenteerd. Daaruit valt nog niet af te leiden of het programma effectief is; het gaat om een nulmeting.

Foto David van Dam

„We zien dat het een groep is met een hoge arbeidsmoraal die graag wil integreren, maar die te maken krijgt met veel knelpunten”, vat onderzoeker Jaco Dagevos, verbonden aan de universiteit, de eerste resultaten samen. Het leren van de taal kost bijvoorbeeld veel tijd en ook de psychische gezondheid van een deel van de vluchtelingen is zorgelijk. „Ze hebben vaak vreselijke dingen meegemaakt tijdens hun vlucht.”

Laag opgeleid

Wat verder opvalt, is het grote aantal lager opgeleiden. „Daar heeft Nederland zich in vergist”, zegt Dagevos. „Velen dachten juist dat de Syriërs hoog waren opgeleid; het bekende beeld van de apotheker uit Aleppo.” Dat blijkt niet te kloppen. Landelijk heeft 31 procent van de Syrische statushouders geen opleiding of alleen basisonderwijs. Bij de deelnemers van SNTR is dat bijna de helft (48 procent). Ook Nema heeft alleen basisonderwijs genoten.

„Mogelijk komt dat omdat wij ons richten op gezinnen en veel vrouwen maximaal basisonderwijs hebben genoten”, verklaart Goedhoop het verschil. „En hoger opgeleiden vluchten vaak eerder, bijvoorbeeld politieke vluchtelingen of mensen uit de steden die goede connecties hebben”, zegt ze. Als laatste vluchten gezinnen afkomstig van het platteland. Zo kwamen vooral in 2017 en 2018 vluchtelingen die niet of nauwelijks waren opgeleid.

Dat had flinke gevolgen voor SNTR. Op basis van eerste gesprekken in 2015 was het voornemen om alle nieuwkomers zo snel mogelijk Nederlands niveau B1 (eenvoudig Nederlands) te laten halen. Dat bleek voor de helft van de nieuwkomers niet haalbaar.

SNTR ontwikkelde voor hen het programma ‘Aan de Slag!’ Nieuwkomers leren daarmee vooral praktische woorden en zinnen. „De grammatica hoeft niet helemaal te kloppen”, zegt Goedhoop. „Maar na deze opleiding kunnen de deelnemers wel een gesprek voeren op de werkvloer of bijvoorbeeld met de juf of meester van hun kind.” Onderdeel van ‘Aan de slag!’ is een stage bij een sociale onderneming in de horeca of bijvoorbeeld de bouw.

De verwachtingen moesten worden bijgesteld. Een ander voornemen was om de nieuwkomers niet direct aan een baan te helpen, maar hen te leren solliciteren. „Het idee was dat ze niet alleen een eerste baan konden vinden, maar als dat contract afliep, ze zelf op zoek konden gaan naar nieuw werk”, zegt Goedhoop. Dat bleek voor deze groep niet realistisch. „We moeten hen actief in contact brengen met werkgevers. Zelf zoeken op Indeed lukt niet.”

Dat wil niet zeggen dat het bij deze statushouders trekken aan een dood paard is. Vaak gaat het om ondernemende types, zegt Goedhoop, die zich in het land van herkomst prima wisten te redden. „In Syrië werkten zij bijvoorbeeld als metselaar, schilder, bakker of een combinatie daarvan. Die vaardigheden kunnen zij hier ook inzetten.”

Dat vraagt wel extra inspanning van de werkgever. Werkgevers die daar bijvoorbeeld aan tegemoet kwamen, zijn vervoersbedrijf RET en beveiligingsbedrijf Securitas. Een jaar geleden zocht SNTR contact met de RET. 22 nieuwkomers hadden interesse in de functie van chauffeur. „Maar ze bleken niet geschikt te zijn omdat ze de taal nog niet genoeg beheersten of niet voldeden aan de andere eisen”, zegt de programmadirecteur.

SNTR besloot toch om tafel te gaan. Samen met Securitas ontwikkelden ze een stagetraject voor conducteur of gastheer/-vrouw. „Tijdens deze periode kan de RET zien of iemand gemotiveerd is, de instructies goed begrijpt en of het überhaupt werkt op de tram”, zegt Goedhoop. Inmiddels werken drie Syriërs als conducteur. Nog eens twee beginnen in januari.

Ook bij onder andere bouwbedrijf Dura Vermeer en webwinkel Coolblue werken inmiddels deelnemers van SNTR. Toch blijven veel werkgevers huiverig om een statushouder aan te nemen, zegt Goedhoop. „Door de taalachterstand en cultuurverschillen.” SNTR werkt momenteel aan een video om werkgevers te informeren over het aannemen van een statushouder. Goedhoop hoopt zo bijvoorbeeld bedrijven in de haven over te halen om statushouders in dienst te nemen. „Daar zien we nog potentieel.”

Noodgedwongen heeft SNTR een groot deel van de taalcursussen en programma’s zelf ontwikkeld. Goedhoop: „Er is nauwelijks onderzoek gedaan naar wat wel en niet werkt.” Ook daarom is SNTR en het onderzoek van de Erasmus Universiteit van belang. In andere steden worden eveneens trajecten georganiseerd, zegt onderzoeker Dagevos. „Ons programma is vrij kostbaar en intensief. Ik verwacht niet dat gemeenten of instellingen dat één op één zal kopiëren”, zegt ze. „Maar het zou mooi zijn als ze succesvolle onderdelen overnemen.”

Gezin van de radar

Foto David van Dam

Maar wat werkt wel, en wat juist niet? Om met dat laatste te beginnen; de nieuwkomers alles uit handen nemen bleek geen goed idee. „Er komt heel veel op deze mensen af”, zegt Goedhoop. „In het begin schoten we in de rol van hulpverlener.” Bijvoorbeeld een coach die een gezin meenam naar een kringloopwinkel voor de aanschaf van een bank. Toen de bank kapot ging, belde het gezin boos de coach op. „Omdat zij mee was gegaan, werd het háár bank en dus háár probleem”, zegt Goedhoop. „We geven de gezinnen nu adressen waar ze terecht kunnen. Ze moeten het zelf regelen.”

Persoonlijk contact blijkt wél belangrijk – ook met de vrouwen in het gezin. „Als een statushouder werk heeft en zijn gezin daardoor geen uitkering meer krijgt, verdwijnt het hele gezin van de radar van de werkconsulent van de gemeente”, zegt Goedhoop. Bij SNTR is dat niet het geval.

„Een deel van de vrouwen stond ver van de maatschappij af”, zegt Goedhoop. „Ze hielden zich bezig met de opvoeding en het huishouden.” Speciale connectoren, vaak afkomstig uit Syrië, proberen een vertrouwensband met deze vrouwen op te bouwen en iets met hen te ondernemen. Een aantal van de deelnemers heeft deze rol nu overgenomen. Zij organiseren nu zelf bijeenkomsten. „Daar wisselen ze opvoedtips uit, of vragen ze iemand om een lezing te geven.” Andere moeders helpen op school als overblijfjuf.

Syrische zeep uit Aleppo in de winkel van Hussam Nema. Foto David van Dam

Goedhoop ziet dat de vrouwen langzaam hun weg vinden in de maatschappij. „Dat is positief, maar kan ook andere gevolgen hebben.” Zo vroegen de afgelopen jaren meerdere deelnemers een echtscheiding aan. „Wonen in een hele andere omgeving kan leiden tot relatieproblemen”, zegt Goedhoop. „Het levert onzekerheid op, mensen verliezen status en hun vaardigheden blijken hier minder gewaardeerd te worden. Dat doet iets met je persoonlijkheid en je relatie.”

Het aanleren van Nederlands en het vinden van een geschikte baan, kost dus meer tijd en werk dan ingeschat. En om de vluchtelingen zich hier thuis te laten voelen is meer nodig, zegt Goedhoop. „Rotterdammers spelen daarbij ook een rol.” Deelnemers zeggen regelmatig dat zij vriendschap missen. „Een familie vertelde bijvoorbeeld dat ze de aardige buurman al drie keer hadden gevraagd om mee te eten, maar dat hij steeds te druk was.” Syriërs zijn heel gastvrij, zegt Goedhoop. En dat botst af en toe. „Bij ons moet zo’n afspraak eerst worden vastgelegd in een agenda.”

Toch blijkt uit het eerste onderzoek dat de overgrote meerderheid zich hier al snel thuis voelt (89 procent van de deelnemers). „Dat zien we ook in de landelijke cijfers”, zegt Dagevos. „Syriërs voelen zich hier veilig, welkom en zijn over het algemeen tevreden.” Een verklaring daarvoor is dat de vluchtelingen vaak hun best hebben moeten doen om hier te komen. De eerste maanden zijn ze blij en opgelucht dat dat gelukt is. „Dat heet migranten-optimisme”, zegt Goedhoop.

Nema is nog steeds blij met zijn nieuwe woonplaats. Al zegt hij ook dat het contact met Nederlanders af en toe lastig is. „Dat komt vooral door de taal”, zegt hij. „Maar ik voel me hier thuis. Het is hier veilig.”