„Ik was zelf ook verrast, maar de waarheid is dat de situatie in de meeste sectoren is omgedraaid”, zegt Philippon over hoe de economische situatie in de VS en Europa veranderde.

Foto David Paul Morris/Bloomberg

Interview

‘Als het met GE goed ging, ging het goed met de economie. Facebook en Google zijn gewoon grote advertentiebedrijven’

Thomas Philippon De VS waren ooit de ultieme vrije markt, maar dat beeld is achterhaald, stelt econoom Philippon. Nu laat Europa zien wat een sterke, onafhankelijke mededingingsautoriteit vermag.

Voor een buitenlandse student met een bescheiden beurs waren de Verenigde Staten fantastisch, merkte de Franse econoom Thomas Philippon (45) nadat hij was aangekomen in Boston voor een promotietraject aan de prestigieuze technische universiteit MIT. Het was augustus 1999. Laptop, internettoegang, vliegtickets: alles was veel goedkoper in Amerika. De kwaliteit was minstens gelijkwaardig. „Vrienden vroegen of ik spullen mee terug kon nemen naar Frankrijk”, vertelt Philippon, nu hoogleraar aan New York University, via Skype.

Logisch ook, dacht hij. Terwijl Europese overheden, de Franse voorop, nationale kampioenen vertroetelden, heerste in de VS de tucht van de markt. Dat wil zeggen: vrije mededinging, met een overheid als scheidsrechter die garandeerde dat de markt openbleef voor nieuwkomers en die ingreep als een onderneming te machtig dreigde te worden. Zo waren bedrijven gedwongen voortdurend tot het uiterste te gaan om concurrenten voor te blijven. Lagere prijzen, betere dienstverlening en uiteindelijk meer banen, meer investeringen en een sterkere economie waren het gevolg.

Twee decennia later staat het beeld van de Amerikaanse vrije markt tegenover Europese bemoeizucht nog fier overeind, óók bij economen. Maar het is hopeloos achterhaald, ontdekte Philippon. „Ik was zelf ook verrast, maar de waarheid is dat de situatie in de meeste sectoren is omgedraaid.”

Mensen klagen graag over Europa als een ontembaar bureaucratisch beest. Maar de feiten laten iets anders zien

Philippon

Die ontdekking deed hij min of meer bij toeval, vertelt Philippon, toen hij werkte aan een academische paper over de ontwikkeling van bedrijfswinsten en investeringen in de VS. Een economische wet dicteert dat hoge winsten in combinatie met lage financieringskosten ertoe leiden dat bedrijven méér gaan investeren. Bestaande concerns breiden uit, of er komen nieuwe spelers op de markt, aangetrokken door de vette winsten van de gevestigde orde.

Aan die wet houden veel Amerikaanse bedrijven zich sinds 2000 steeds minder, zag Philippon. Liever geven ze het geld terug aan hun aandeelhouders in de vorm van dividend of buybacks – inkoop van eigen aandelen.

Hoe kon dat? „De verklaring die ik vond, was dat gestegen winstmarges voor een belangrijk deel het gevolg waren van monopolie-effecten”, vertelt Philippon. Het níét functioneren van de vrije markt, dus.

Die vaststelling schudde de econoom wakker. Waren vliegtickets, gezondheidszorg en internet- en telefoonabonnementen ook niet ontzettend duur geworden in de VS? Inderdaad. Amerikaanse varianten van prijsvechters als Ryanair en easyJet hadden veel minder voet aan de grond. Amerikanen geven verhoudingsgewijs bijna twee keer zo veel uit aan gezondheidszorg als inwoners van andere westerse landen, terwijl ze er minder voor terugkrijgen. Een breedbandinternetverbinding kost in de VS gemiddeld bijna 75 dollar [67 euro] per maand, tegenover zo’n 35 dollar in Europa.

„Ik had het me eerder moeten realiseren, het was me ontgaan”, zegt Philippon verontschuldigend. Zijn excuus: „Als student was ik heel prijsbewust. Nu ik een goeie baan heb, let ik er minder op.”

De grote ommekeer

Hij gooide zijn aannames over Amerikaans liberalisme versus Europese bemoeizucht overboord en begon aan een zoektocht naar het antwoord op een ogenschijnlijk triviale vraag: waarom zijn Amerikaanse telefoonabonnementen tegenwoordig zo duur? Het resultaat is The great reversal: How America gave up on free markets, een met tonnen data doorspekt boek waarin Philippon aantoont dat de VS al lang niet meer het beloofde land van de vrije mededinging zijn. Het land heeft nog steeds de beste universiteiten en een superieur aanbod aan financieringsmogelijkheden voor ondernemers. Maar monopolisten en oligopolisten maken in veel sectoren de dienst uit. Sterker nog: Europa is als vrije markt ruimschoots langszij gekomen. Met grote gevolgen voor consumenten en werknemers aan beide kanten van de oceaan.

Philippon laat óók zien dat „de grote ommekeer” is veroorzaakt door soft mededingingsbeleid in de VS en toegenomen invloed van grote bedrijven in de Amerikaanse politiek, niet door technologie of uitzonderlijke prestaties van Amerikaanse superstar firms als Facebook en Google. Integendeel, de grote technologiebedrijven ontmaskert Philippon en passant als tamelijk ordinair, vergeleken met sterren uit het verleden als IBM, AT&T, General Motors of General Electric.

„Mensen hebben de neiging te denken dat met de huidige sterren iets bijzonders aan de hand is. Kijk je naar relatieve omvang, winstgevendheid en groei, dan zie je dat ze niet verschillen van de special ones uit het verleden. De voornaamste afwijking is dat de grote technologiebedrijven, met uitzondering van Amazon, minder werknemers en toeleveranciers hebben. Als het met General Electric goed ging, ging het goed met de Amerikaanse economie. Facebook en Google zijn simpelweg grote advertentiebedrijven. Dat is geweldig voor ze, de economie wordt er niet productiever van.”

Eerst de bewijsvoering. Die is niet eenvoudig. Dat verklaart direct waarom de traditionele overtuiging dat Amerikaanse markten het meest vrij en concurrerend zijn, nooit ter discussie stond. Er is geen direct bewijs, niet één maatstaf die meet in hoeverre sprake is van vrije mededinging. Er zijn aanwijzingen. Maar die zijn „noisy”, zoals Philippon dat noemt.

Neem concentratie – de mate waarin een sector wordt gedomineerd door een klein aantal bedrijven. In drie op de vier sectoren van de Amerikaanse economie is de concentratie sinds de eeuwwisseling sterk toegenomen, toont Philippon. Dat is zorgwekkend, want het duidt in de regel op verzwakte concurrentie. Minder bedrijven, met meer marktmacht.

Maar soms is het tegenovergestelde het geval, zegt Philippon. Hij noemt het voorbeeld van Walmart, dat in de jaren 90 een revolutie ontketende in de Amerikaanse retailsector met de introductie van een efficiënter systeem om voorraden te managen. Dat stelde Walmart in staat prijzen te verlagen. Iedereen moest mee: aanpassen of failliet gaan. „Supermarktketens die niet efficiënt genoeg waren, werden uit de markt gedrukt”, zegt Philippon. Minder spelers dus, als gevolg van méér concurrentie.

Dit is een voorbeeld van „goede concentratie”, stelt Philippon, waar consumenten van profiteren.

Globalisering kan een vergelijkbaar, zij het pijnlijk effect hebben. Zo zijn veel bedrijven in de Amerikaanse maakindustrie de voorbije decennia in problemen gekomen door de opkomst van goedkopere concurrenten uit China – een groot politiek thema in de VS.

Maar in veruit de meeste sectoren van de Amerikaanse economie gaat dit verhaal niet op, betoogt Philippon. Daar is al twintig jaar sprake van „slechte concentratie”. Dat wil zeggen: de opkomst van monopolies en oligopolies als gevolg van lankmoedig mededingingsbeleid en regelgeving die markten afschermt voor nieuwkomers. Dat blijkt uit de sterke samenhang die hij vond met toegenomen winstmarges, gestegen prijzen, afgenomen investeringen, een golf aan (omstreden) fusies en overnames en lage groei van de productiviteit. Bovendien stokt de toetreding van jonge bedrijven in bestaande markten. Philippon: „Als je al die factoren combineert, krijg je een overtuigend beeld: Amerikaanse markten zijn de laatste twintig jaar veel minder vrij en concurrerend geworden.”

Europese schizofrenie

Die conclusie verbaasde Philippon. Nog verrassender vond hij de vaststelling dat de situatie in Europa totaal anders is. Daar zijn concentratie en winstmarges de afgelopen twintig jaar stabiel of zelfs iets afgenomen. Regels die markten afschermen voor nieuwkomers zijn geschrapt of aangepast. Denk aan de telecomsector, energie en de luchtvaart. „Mensen klagen graag over Europa als een ontembaar bureaucratisch beest”, zegt Philippon. „Maar de feiten laten iets anders zien: de EU heeft zich juist ingezet voor vrijere markten en minder toetredingsdrempels.”

Werknemers en consumenten profiteren, stelt Philippon. Door lagere prijzen en betere dienstverlening: in Europa kun je met hetzelfde bedrag tegenwoordig méér kopen dan in de VS. Ook gaat in Europa nog grofweg hetzelfde deel van het nationaal inkomen in de vorm van lonen naar werknemers als rond de eeuwwisseling, terwijl dit aandeel in de VS met 6 procentpunt is gedaald, laat Philippon zien.

Wat verklaart de verschillen? Philippon: „Franse politici houden nog steeds van nationale kampioenen en industriepolitiek. Dat verandert niet. Maar bij de totstandkoming van de interne markt [1993] hebben de EU-landen gekozen voor de sterkste en meest onafhankelijke mededingingsautoriteit ter wereld. Dat lijkt schizofreen. Toch is het logisch: Europese landen vertrouwden elkaar niet. Frankrijk was bang dat Duitsland te veel invloed zou krijgen en andersom. De rest vreesde Frans-Duitse dominantie. Een keuze voor onafhankelijke marktautoriteiten beschermt iedereen.”

Van onafhankelijke autoriteiten en politieke instellingen is in de VS steeds minder sprake, stelt Philippon. Hij wijst erop dat de bedragen die grote bedrijven uitgeven aan lobbyactiviteiten in de VS de voorbije twintig jaar zijn geëxplodeerd. En andersom: de kosten van politieke campagnes zijn zo snel toegenomen dat politici voor hun verkiezing volledig afhankelijk zijn van donaties uit het bedrijfsleven. „Er is nauwelijks onafhankelijke controle meer. Zo komen bedrijven weg met hoge prijzen en slechte dienstverlening.”

Hoe positief Philippon ook is over de Europese markten, hij ziet dat de politieke druk er toeneemt om het mededingingsbeleid te versoepelen. Het dominante argument: om toegenomen mondiale concurrentie, vooral uit China, te weerstaan zijn Europese kampioenen nodig. Vandaar ook de frustratie in Parijs en Berlijn toen de Europese Commissie eerder dit jaar de fusie tussen treinenbouwers Siemens en Alstom blokkeerde.

„Dat was een grote testcase”, zegt Philippon, die blij is met de beslissing. Hij heeft „heel weinig geduld” met het Europese-kampioenenargument. „Natuurlijk is er oneerlijke concurrentie vanuit China. Maar dat is geen argument voor Europese industriepolitiek en versoepeling van het mededingingsrecht. Dat vraagt om handelspolitiek.”

Volgens Philippon lossen Europese monopolies niets op. „De beste garantie dat Europese bedrijven mondiale concurrentie aankunnen, is door concurrerende thuismarkten te creëren. Ieder bedrijf dat succesvol is in de VS én daarbuiten, heeft voor zijn leven moeten vechten. Waarom is Apple zo’n succes geworden? Ze stonden met hun rug tegen de muur. Dat heeft de iPhone mogelijk gemaakt. Sinds ze dik en lui zijn geworden, heeft Apple niets interessants meer geproduceerd.”