Recensie

Recensie Boeken

Dit prachtige boek barst van de levenslust

Anton Valens De roman Chalet 152, van de ernstig zieke Anton Valens, is een ode aan levenslust. Elke zin is raak. (●●●●)

Foto: Frank Ruiter

‘Wie kan het niet-zijn beschouwen als zijn hoofd, het leven als zijn ruggengraat en de dood als zijn kont?’ In het motto van Chalet 152, geleend van de taoïstische filosoof Zhuang Zi, bespreken vier Chinese meesters de kunst om dood en leven als één lichaam te zien. ‘[Wie dat kan] zal onze vriend zijn!’ De vier kijken elkaar aan en barsten in lachen uit.

Het past nogal, dat motto. Net als Zhuang Zi overdenkt Anton Valens in zijn zevende roman existentiële vragen over dood en leven, verbondenheid en eenzaamheid, waarbij hij voortdurend ook de banaliteit daarvan belicht.

Dat Valens wel raad weet met banaliteit wisten we inmiddels (hij is ‘een van de geestigste schrijvers van Nederland,’ schreef Arjen Fortuin in 2016 in NRC) en inderdaad, aan (krankzinnige) humor ook hier geen gebrek. Mijn kantlijnen staan vol smileys. Daartegenover plaatst de auteur in deze roman een gevoel van beklemming dat me bij tijd en wijle haast de adem benam. Hoe te leven, is de vraag waarvoor Valens’ personages zich vaak aandoenlijk-wanhopig gesteld zien. In Chalet 152 krijgt die vraag er een zwaarwegende bijzin bij: hoe te leven, in de wetenschap dat we zullen sterven?

In een interview voor deze krant sprak Anton Valens (1964) twee weken geleden met Thomas de Veen over het feit dat hij ernstig ziek is. Hoewel dit autobiografische gegeven niet expliciet in de roman is verwerkt, kan ik me voorstellen dat het heeft bijgedragen aan de ernst en urgentie waarmee Valens vragen omtrent de vergankelijkheid onderzoekt.

Campingterrein ‘t Ezeltje

We volgen de 32-jarige Djoeke van ’t Hull. Zijn leven liep altijd al wat stroef (veel aanleg voor onbekommerdheid hebben Valens’ personages niet), maar de laatste tijd is de boel wel heel overdadig aan het desintegreren: hij heeft geen baan, geen relatie, geen vrienden, geen geld en binnenkort ook geen woning meer. En lelijk is hij ook nog. Om met Djoeke te spreken: ‘Zoals het ervoor staat is hij nog lager en nietiger dan een vermorzelde fruitvlieg’.

Een kortetermijnoplossing dient zich aan als zijn oom hem vraagt of hij zich over diens vakantiehuisje wil ontfermen. Djoeke mag er gratis in. Het chalet maakt deel uit van campingterrein ’t Ezeltje, de ideale locatie om je voor het leven te verschuilen. Dat hebben meer mensen in de gaten: het park herbergt een bonte verzameling van verloren zielen.

Lees ook het interview met Anton Valens: ‘Leven na de dood: daar is niets zinnigs over te zeggen’

Een van hen is Audrey, een jonge kunstenares met een hang naar het esoterische. Djoeke hoeft haar maar één keer over het strand te zien lopen of hij is al smoorverliefd. Zij blijkt ook wel wat in hem te zien, dus er ontstaat een affaire. Na een tijdje beginnen Djoeke toch ook een paar minpuntjes aan haar op te vallen. Zo is ze wel erg op zichzelf gefocust: ‘hij begrijpt de noodzaak die een artiest voelt zichzelf onder de loep te nemen, maar haar Ich-Bezogenheit is hem te eendimensionaal’. Zo nu en dan bladert Djoeke door haar notitieboek (‘Mijzelve’, heet het), in de hoop er zijn eigen naam in aan te treffen, maar nee: ‘waar hij ook keek, hij kon geen enkele verwijzing naar een ander mens vinden.’

En dat terwijl ‘gezien worden’ voor Djoeke nu juist zo belangrijk is. Toen hij in Amsterdam studeerde, waar het opdoen van sociale contacten niet helemaal wilde lukken, beeldde hij zich in dat hij nauwlettend in de gaten werd gehouden door een groepje buitenaardse wezens. Deze immer betrokken toeschouwers vormen een (zeker voor een theologiestudent) nogal inventieve variatie op een godsfiguur.

Onbeduidend hoekje

Die ‘navelstaarderige kant’ van Audrey mag hem dan wat tegenstaan, hij wil haar niet kwijt, dus als ze van hem verlangt dat hij deelneemt aan een door haar geïnitieerd ritueel bij vollemaan, is Djoeke de beroerdste niet. Zo kan het gebeuren dat deze gereserveerde jongen zich op een nazomeravond, samen met een stel andere in witte gewaden uitgedoste parkbewoners, in een duinpan installeert, om deel te nemen aan een ‘dienst’ ter opheffing van de door Audrey bij hem gedetecteerde ‘blokkades in zijn chakra’s.’ Daar komt speciale thee bij kijken. (Ayahuasca, leert de flaptekst.) Wat volgt is een onstuimige trip naar Djoekes binnenwereld – of misschien moet ik ‘onderwereld’ zeggen.

Op het omslag prijkt een fresco van renaissance-schilder Benozzo Gozzoli. Althans, een stukje ervan. De oorspronkelijke schildering verbeeldt de heilige Franciscus, die duivels uit de stad Arezzo verjaagt. In het rechterbovenhoekje is nog net te zien hoe een kluitje van die duivels bezig is het beeld uit te vluchten.

Ayahuasca

In haar (prachtige) omslagontwerp zoomt Tessa van der Waals in op die rechterbovenhoek. Het correspondeert met een van de effecten die de thee op Djoeke heeft: er ontstaat een focus op de in zijn ogen demonische gevoelens – hatelijkheid, afkeer, furie, nijd – die normaliter hooguit een onbeduidend hoekje van zijn bewustzijn in beslag nemen.

Illustratie Paul van der Steen

Het ritueel beslaat vrijwel de hele roman. Eerst wordt er een borrelglaasje van de thee genuttigd, zodra het spul is uitgewerkt volgt een meditatiesessie. En dat drie keer. Die overzichtelijke opbouw verleent de vertelling haar structuur. Het biedt Valens – misschien wel de meest vrije geest in de Nederlandse letteren – de gelegenheid om binnen die constructie volkomen los te gaan. Zo kan een ernstige conversatie met God over de Grote Levensvragen worden afgewisseld met een (minstens zo ernstige) verhandeling over het aanbrengen van ijzerglimmer op een lantaarnpaal. Het stumperige, aftastende spel tussen prille geliefden met verontrustende eindtijdvisioenen. Valens dient het ons allemaal op in een weergaloze stijl. Elke zin is raak. (Over eindtijdvisioenen gesproken: het loont de moeite er tijdens het lezen van Chalet 152 Openbaring even op na te slaan – bijvoorbeeld rondom 15:2.)

Alfa en Omega

Mede door de vele verwijzingen naar de Bijbel – het kruis, dood en wedergeboorte, ‘Alfa en Omega’ is een motief – ervoer ik Chalet 152 bovenal als een bij uitstek religieuze roman (al zullen sommige lezers ‘heidens’ misschien passender vinden). Om zich te kunnen verzoenen met de zinloosheid van zijn bestaan heeft dit hoofdpersonage nood aan het geloof in iets wat het particuliere overstijgt, of dat ‘iets’ nu de liefde is, een God of desnoods een clubje marsmannetjes.

Natuurlijk krijgt Djoeke geen antwoord op zijn vragen. Na de geestverruimende nacht is er nauwelijks iets voor hem veranderd. Toch zou ik de gedachte die bij mij bleef haken na het lezen van Chalet 152 troostrijk willen noemen: laten we ons met alle geestdrift die we kunnen opbrengen in het leven storten, hoe vergeefs dat in het licht van de vergankelijkheid ook schijnt. Laten we onszelf verliezen – in de liefde, in de kunst of in het schilderen van een lantaarnpaal. We zullen sterven. Allemaal. Dat is wreed, en dat is absurd. Maar laten we nu leven.