Opinie

Floris’ heldendaad zou nu landverraad zijn

Luuk van Middelaar

Afgelopen zomer keek ik met mijn tienjarige zoontje naar de tv-serie Floris. Geweldige televisie uit 1969, door regisseur Paul Verhoeven en scenarist Gerard Soeteman; de jonge Rutger Hauer spatte van het zwartwitscherm, ook op onze iPad. Maar tv van internationaal niveau – geïnspireerd door Ivanhoe van de BBC en de Amerikaanse Zorro-reeks – kostte wel wat. De Hilversumse kruideniers hielden na twaalf afleveringen de hand op de knip, waarna Verhoeven en Hauer hun heil en roem in Hollywood zochten.

Behalve de kwaliteit trof me ook de historische setting van het drama. Hoofdpersoon Floris en heer Wolter van Oldenstein vechten met de Bourgondiërs tegen de hertog van Gelre, die steun heeft van de Friezen en Hollanders.

Zijn deze verhoudingen vijftig jaar later nog te begrijpen? Kun je voor Nederlands publiek een tv-film maken waarin ‘wij’ bij de Bourgondiërs horen en ‘zij’ de verdomde Geldersen en Hollanders zijn? Ondenkbaar. In de beste aflevering smokkelen Floris en zijn kompaan Sindala een schilderij van Jeroen Bosch naar hertog Filips de Schone; deze heldendaad zou nu gelden als landverraad.

De Bourgondische tijd vergleed uit ons nationale geschiedbeeld, terwijl het succesvolle Holland ons verleden beheerst. Floris verloor zo de grond onder zijn voeten, ten koste van het besef van een met België en Frankrijk gedeelde culturele ruimte.

In Vlaanderen daarentegen viert historicus Bart Van Loo successen met het vuistdikke De Bourgondiërs: aartsvaders van de Lage Landen (2019) – ook als podcast. Over hoe de hertogen van Bourgogne, met hun hof in Dijon, die de versnipperde steden en gebieden in wat nu min of meer Oost-Frankrijk, België en Nederland is, onder hun gezag brachten. Zo viel het begin zestiende eeuw in handen van de in Gent geboren keizer Karel V en zijn Spaanse zoon Filips II (die we dan weer wel kennen).

Dit jaar verscheen ook een schitterende heruitgave van Johan Huizinga’s meesterwerk Herfsttij der Middeleeuwen (1919), de weergaloze studie over de „levens- en gedachtenvormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden”, vol speelse vroomheid en ridderromantiek. Maar Huizinga, hoe briljant ook, maakte geen school. We blijven ons fixeren op de Opstand tegen Spanje; alles voor 1568 valt weg.

Misschien was Huizinga te eigen. Zeker dreven twee grote breuken de Franse en Nederlandse landen sinds ‘Floris’ in onze verbeelding uiteen. Ten eerste de breuk van Luther en de Reformatie, die Frankrijk en de Verenigde Provinciën vanaf 1517 aan weerszijden van de scheidslijn tussen katholieken en protestanten bracht. Ten tweede de breuk van Columbus en de ontdekking van Amerika, die na 1492 de Atlantische ruimte opende en Hollanders en Zeeuwen de steven naar het westen en Indië deed wenden, weg van het continent.

In een Europese Unie zonder Verenigd Koninkrijk, en met een verzwakkende Atlantische band, is een strategische heroriëntatie op regionale grootmacht Frankrijk voor Nederland pure noodzaak. Oude cultuurverschillen en belangenconflicten blijven, maar op steeds meer terreinen werken Parijs en Den Haag samen: defensie, Schengen, EU-uitbreiding, klimaat en – zeker onder Macron – een moderne economie.

Deze voorzichtige toenadering op politiek en ambtelijk niveau blijft vooralsnog vrijwel onzichtbaar en onuitgesproken, zeker in Den Haag. Zo sterk zijn de anti-Franse clichés. Wellicht bieden Floris en Herfsttij een stuk Bourgondische grond voor openlijk werk aan een gedeelde toekomst.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en hoogleraar Europees recht (Leiden).

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.