De Romeinse pestepidemie die geen pestepidemie was

Geschiedkunde Steeds vaker wordt de ernst van de pestepidemie in de zesde eeuw benadrukt: ‘Een heftige hamerslag tussen twee tijdperken’. Twee historici proberen de omvang nu te relativeren. ‘Dit was geen Zwarte Dood.’

Een beroemd portret van keizer Justinianus (met heiligenaureool) temidden van zijn hovelingen op een mozaiek uit het jaar 547, in de kerk van San Vitale in Ravenna (Italië).
Een beroemd portret van keizer Justinianus (met heiligenaureool) temidden van zijn hovelingen op een mozaiek uit het jaar 547, in de kerk van San Vitale in Ravenna (Italië). Foto The Picture Desk

Het viel heus wel mee met de pest-epidemie in de zesde eeuw. Dat schrijft een team van historici en andere wetenschappers onder leiding van Lee Mordechai (Hebrew University Jerusalem) en Merle Eisenberg (Princeton University) deze maand in de PNAS. Die stellingname gaat in tegen een belangrijke trend van de laatste jaren. Want in de afgelopen decennia is de zwaarte van deze ‘Justiniaanse Plaag’ steeds sterker benadrukt. Volgens sommige historici zouden er in de zesde eeuw in het Middellandse Zeegebied tientallen miljoenen mensen aan de pest zijn overleden en zou de ziekte ook in de zevende en achtste eeuw honderden jaren lang zijn teruggekomen. Die ‘Eerste Pandemie’ zou de definitieve breuk tussen Oudheid en Middeleeuwen hebben veroorzaakt. Mordechai en Eisenberg schreven ook eerder dit jaar al relativerende stukken over deze ‘Justiniaanse Plaag’, in de historische vakbladen Past and Present (augustus) en Byzantine and Modern Greek Studies (oktober).

Er is in de zesde eeuw zeker wel een pest-epidemie geweest, dat bestrijden Mordechai en Eisenberg niet. Vooral over de eerste uitbraak in de jaren 540 zijn relatief veel bronnen. Daaraan stierf toen onder meer de toenmalige Byzantijnse keizerin Theodora en ook keizer Justinianus (de naamgever van deze uitbraak) zelf bezweek bijna. En dat het toen om een uitbraak van de pest ging, die net als bij de Zwarte Dood in de veertiende en vijftiende eeuw veroorzaakt werd door de beruchte Yersinia pestis-bacterie, staat ook vast (door analyse van dna uit oude botten). Maar dat er sprake was van enorme en langdurige sterfte, zoals bij de Zwarte Dood in de Middeleeuwen, geloven deze historici dus niet. Hun kernpunt is dat naar de Justiniaanse Pest is gekeken met het verwoestende verloop van de Zwarte Dood in het achterhoofd. Dat patroon, met extreem grote sterfte rond 1350 en zowat ieder decennium terugkerende epidemieën, wordt ten onrechte als model voor de zesde eeuw gebruikt.

Byzantijnse bloeitijd

De zesde eeuw was een belangrijke periode in de geschiedenis van het Oost-Romeinse (Byzantijnse) Rijk. Dat rijksdeel bleef na de val van het westelijk deel in 476 nog bijna duizend jaar voorbestaan en besloeg aanvankelijk een enorm gebied in Oost-Europa en het Midden-Oosten. De regeringsperiode van keizer Justinianus (527 – 565), de laatste Latijn sprekende keizer van dit verder Grieks georiënteerde rijk, geldt als hoogtepunt, met pogingen tot herovering van Italië en Noord-Afrika, de bouw van de Hagia Sophia (met de verbluffende koepel) in Constantinopel, en grootscheepse wetgevingsprojecten (het ‘corpus juris civilis’). Na die bloeitijd, in de zevende eeuw, raakte het rijk in grote problemen door een intense oorlog met het Perzische rijk en het snelle verlies van de heerschappij over het Midden-Oosten aan het plotseling opkomende islamitische kalifaat. Die problemen worden regelmatig geweten aan verzwakking door de pest.

In 2004 bijvoorbeeld reconstrueerde Byzantiumkenner Dionysios Stathakopoulos (King’s College, London) maar liefst 43 terugkerende pestuitbraken in het Middellandse Zeegebied in zijn boek Famine and Pestilence in the Late Roman Empire and Early Byzantine Empire. En oudhistoricus Kyle Harper (University of Oklahoma) noemt in zijn veel geprezen boek The Fate of Rome: Climate, Disease, and the End of an Empire (2017) de Justiniaanse Pest samen met de Zwarte Dood ‘de meest ernstige biologische ramp in de geschiedenis’. Die ziekte leidde volgens hem in de jaren 540 tot sterfte van de helft van de bevolking van het Oost-Romeinse Rijk, een afname van dertig miljoen naar vijftien miljoen in een paar jaar, met daarna nog eens terugkerende epidemieën die iedere keer ook nog eens tien procent van de bevolking aan tol eisten. En dat leidde natuurlijk tot grote mentaliteitsveranderingen, schrijft de oudhistoricus Mischa Meier (Universität Tübingen) in Early Medieval Europe (augustus 2016) . Meier beschrijft de pest als „een heftige hamerslag die een scherpe breuk tussen twee tijdperken markeert”. Hij ziet grote culturele gevolgen in het Byzantijnse rijk, zoals een sterke toename in de verering van de Maagd Maria, afwijzingen van iconenverering (een bron van enorme conflicten in de achtste eeuw) en ook het steeds hoger op een voetstuk zetten van de keizer.

Onzichtbare pest

Maar in hun uitvoerige overzicht en analyse van relevante geschreven bronnen, wetgeving, inscripties, pollen-analyses en de hoeveelheid massagraven uit de zesde eeuw vinden Mordechai, Eisenberg en hun collega’s dus „weinig aanwijzingen”. Hun conclusie: „Een massale peststerfte is vrijwel onzichtbaar in de kwantatieve datasets uit deze periode (…) daarom geloven we dat de Justiniaanse Pest en de zogenoemde ‘Eerste Pandemie’ weinig lijken op de Tweede Pandemie en de Zwarte Dood, die wel grote invloed hadden op demografie, economie en landschap van West-Eurazië en Noord-Afrika. De term ‘Eerste Pandemie’ is dus ook problematisch.”

Er zijn bijvoorbeeld maar een paar belangrijke eigentijdse schriftelijke bronnen over de pest, schrijven de historici. De belangrijkste bron over de uitbraak is de Byzantijnse historicus Procopius van Caesarea (ca. 500-570), een hoveling van Justinianus. In zijn boek ‘De Perzische Oorlog’ (ca. 545) schrijft hij over de jaren 540-542: „Er was een pest waardoor het hele menselijk ras bijna uitgeroeid werd. (…) Het begon bij de Egyptenaren en ging daarna naar Palestina, en vandaar over de hele wereld.” Procopius beschrijft ook de typische kenmerken van builenpest: het begint met koorts en na een paar dagen komen de zwellingen in de oksels, bij de oren of in de lies. Volgens Procopius stierven er in de hoofdstad Constantinopel op een gegeven moment „meer dan tienduizend mensen per dag”.

Een andere ooggetuige is bisschop Johannes van Ephese (ca. 500 - 588) die in zijn ‘Kerkgeschiedenis’ beschrijft hoe hij tijdens de uitbraak door Palestina en Syrië naar Constantinopel reisde. Heel stadsbevolkingen waren gestorven, schreef hij. Hij verwachtte zelf ook te sterven. „We keken de hele dag in het graf als we naar verwoeste en kreunende dorpen keken, en naar lijken op de grond, die door niemand werden opgeruimd.” Oogsten bleven op het veld staan. Uit iets later tijd is de Franse bisschop Gregorius van Tours (538 -594) die in zijn ‘Geschiedenis van de Franken’ (594) beschrijft hoe de pest in 543 de Rhônevallei bereikte: „De hele provincie van Arles werd ontvolkt.” Over een latere uitbraak in Clermont (571) schrijft hij dat de doden niet eens geteld konden worden. Voor het jaar 590 beschrijft Gregorius een uitbraak in Rome die zou zijn begonnen toen de Tiber overstroomde en gevuld raakte met slangen en zelfs een draak. „Huizen bleven leeg, ouders moesten hun kinderen begraven”

Heftig genoeg, maar Mordechai en Eisenberg laten zien dat alleen voor die eerste uitbraak rond 540 veel schriftelijke bronnen zijn, met duidelijke beschrijvingen van de ziekteverschijnselen. In de rest van de eeuw is dat zeldzaam en voor de hele zevende en achtste eeuw ontbreken beschrijvingen van pestverschijnselen zelfs helemaal. De ‘ziekteplagen’ uit die periode hoeven dus helemaal geen pest te zijn. Pas voor de epidemie van 743-750 worden weer builen beschreven. De historici gaan overigens wel een beetje ver in die tellingen, zeker als ze bijna verwijtend schrijven dat, in woorden geteld, Procopius minder dan één procent van zijn (bekende) werk wijdt aan de pest. Je kan een kroniekschrijver toch moeilijk verwijten dat hij ook andere zaken beschrijft.

Het is zeker dat er in de zesde eeuw mensen aan de pest leden, zoals blijkt uit de pestbacterie Yersinia pestis die werd aangetroffen in deze twee skeletten uit graven uit circa 530-570 uit Altenerding in Zuid-Duitsland. Links een vrouw, en rechts een man, met hun grafgiften. Bij de vrouw is haar kies afgebeeld waaruit het paleogenoom van de pestbacterie met hoge resolutie kon worden gereconstrueerd. Foto’s MBE/ Archäologische Staatssammlung München

Mordechai en Eisenberg hebben meer pijlen op hun boog. In de wetten die in de zesde eeuw door de Byzantijnse keizer worden uitgevaardigd, zit bijvoorbeeld geen patroon dat door de pest veroorzaakt zou kunnen zijn. In de hoeveelheid papyri die voor ieder jaar uit Egypte bekend zijn: idem. Net als in de hoeveelheid inscripties, massagraven, muntuitgifte: niks te zien. En, misschien wel het belangrijkste argument: uit zesde-eeuwse reeksen van pollen in het oostelijke deel van het rijk zijn geen verschillen te zien in de hoeveelheden verbouwd graan. Ook in de dennenpollenreeksen is niets te zien, terwijl die zouden moeten toenemen als er veel land braak zou blijven liggen.

Aan de Universiteit Leiden bestudeert Miko Flohr als archeoloog en historicus de sociaal-economische omstandigheden van de oudheid. Hij vindt de aanval van Mordechai en Eisenberg te zwaar aangezet. „Met al die tellingen creëren ze een valse precisie, alsof al die moderne databases van inscripties en papyri echt zo nauwkeurig de toenmalige werkelijkheid zouden weergeven.” Maar de uitkomst verbaast hem dan weer niet. „Ik heb nooit gedacht dat die Pest van Justianianus zo gigantisch is geweest. Je kan dat niet vergelijken met de Zwarte Dood. Mordechai en Eisenberg bestrijden een stropop, er bestaat helemaal geen maximalistische consensus over die pest. Ik zie hem in ieder geval niet. En als je het vanuit de Oudheid bekijkt is in de zesde eeuw het kwaad allang geschied. Want de inscripties uit die tijd zijn sowieso een fractie van die uit de tweede en derde eeuw. De klassieke wereld is dan al ingestort, het loopt leeg vanaf 350. Het verval is een lang proces. We zouden eens op een rij moeten zetten wat alle gegevens zijn voor veranderingen in de stedelijke cultuur tussen 200 en 700, dat bestaat nu nog helemaal niet. In de derde eeuw zie je bijvoorbeeld een sterke afname van scheepswrakken. Is dat verval van de handel? Of lijkt dat maar zo omdat de wijnhandel overstapte van amfora op houten vaten, die snel verteren in zeewater?”

In Tübingen toont de in de PNAS flink bekritiseerde historicus Mischa Meier zich niet erg onder de indruk van de kritiek. „Hun pollen-analyses zijn wel erg interessant, hoor!”, reageert hij. „Maar verder? Ja, ik word door hen als een voorman van de maximalisten beschouwd”, zegt Meier een beetje beduusd, „maar dat ben ik helemaal niet. Ik geloof juist helemaal niet dat het mogelijk is om harde oordelen te geven over demografische aantallen en economisch verval. Daarvoor zijn onze bronnen te beperkt. Ik houd het wel voor mógelijk dat in de jaren 540 een kwart van de bevolking stierf, maar dat blijft speculatie. Heel belangrijk was dat ook de keizer ziek werd, dat maakte hem ineens tot een heel gewoon mens. Terwijl tot dan een keizer zo ongeveer een halfgod was. Dat leidde tot veel culturele veranderingen.”

Meier ziet kansen voor een interessante discussie. „Ik zal eens kijken of ik hen kan uitnodigen voor een symposium. Ik vind de kritiek geen probleem. Integendeel. Ik ben áltijd blij als ik een artikel over de pest kan lezen.”

CORRECTIE (17 december 2019) Aanvankelijk stond in het stuk dat de Byzantijnse kroniekschrijver Procopius schreef over zwellingen in het kruis als verschijnsel van de pest. Dat is verbeterd in het anatomisch preciezere aanduiding ‘in de lies’.
In het oorspronkelijke Grieks gebruikt Procopius hier (Geschiedenis van de Oorlog II-xxii-17) het woord ‘bouboon’ (βουβων), Grieks voor lies, precies het woord dat naamgever werd voor de Engelstalige term ‘bubonic plague’, bubonenpest of builenpest in het Nederlands.