Bekijk de maan eens door je benen

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

De maan gezien vanuit het International Space Station (ISS).
De maan gezien vanuit het International Space Station (ISS).

Terug naar de maanillusie van vorige week. Veel lezers stuurden aanvullingen, correcties en suggesties. De maanillusie (moon illusion) is de aanduiding voor het fenomeen dat de vollemaan, als zij in de vale schemer van de vroege avond, vaak enigszins gelig, boven de horizon verschijnt wel twee of drie keer zo groot lijkt als het frisse witte maantje dat later die avond hoog aan de hemel staat. Het is puur gezichtsbedrog, meet je het na, dan blijkt dat je de maan de hele avond onder precies dezelfde hoek ziet. Aristoteles wist het al. Wat het is dat de illusie opwekt, is nog steeds niet precies bekend, het onderzoek was tot dusver in handen van psychologen maar inmiddels worden ook neuro-wetenschappers ingezet.

Traditionele verklaringen voor de illusie doen een beroep op size constancy. ‘Size constancy’ (Sehgrosskonstanz, grootteconstantie) is een begrip dat Duitse psychologen in de jaren twintig ontwikkelden. Het beschrijft een heel alledaagse ervaring: als de medemens vanuit de verte op ons afloopt, en dus gaandeweg onder steeds grotere hoek wordt gezien, dan trekken we niet de conclusie dat die mens ook écht groter wordt. Ons begrip van grootte (van lineaire afmetingen, uit te drukken in meters) steunt niet uitsluitend op die booghoek (en op de grootte van beeldjes op het netvlies) maar óók steeds op een besef van afstand.

Projecteer je met een diaprojector een maantje op een wit scherm dat 3,5 meter verderop staat en doe je tegelijk hetzelfde met een scherm dat op 33 meter afstand staat, zó dat je beide manen onder precies dezelfde hoek ziet, dan wordt de laatste maan toch altijd als groter waargenomen. De Harvard-psychologen Holway en Boring beschreven het in 1940 in The American Journal of Psychology.

Omdat bijna alle mensen het gevoel hebben dat het hemelgewelf is afgeplat, dat de horizon verder weg is dan het zenit, en de horizonmaan dus verder lijkt dan de zenitmaan, dáárom lijkt die horizonmaan zo groot. Dat is de traditionele aanpak.

Het probleem, de kern van alle moeilijkheden, is dat de meeste mensen juist geloven dat de horizonmaan dichterbij staat dan de zenitmaan. Kom hier maar eens uit.

De worsteling van de psychologen gaat door tot de dag van vandaag. Veel leed hebben ze aan zichzelf te danken, de opzet van hun proeven en proefjes is gebrekkig, het aantal proefpersonen is miniem (soms maar drie of vijf) en ze introduceerden jargon waarvan lang niet iedereen de portée kent.

Je krijgt ook het gevoel dat het niet altijd lukt proefpersonen te vinden die volkomen ‘naïef’ zijn ten aanzien van het doel van de experimenten. En de maanillusie is minder solide dan de vermaarde Ponzo-illusie, hij is gevoelig voor geïnformeerdheid en goede bedoelingen.

Diverse lezers wezen erop dat de maanillusie verdwijnt als je, staande, tussen je benen door naar de horizonmaan kijkt – wat zij kennelijk veelzeggend vinden. Holway en Boring presenteerden dit in 1940 als een gegeven maar Kaufman en Rock (Science, 1962) kregen het niet bevestigd. Het was afgelopen week niet helder genoeg om zelf eens de proef op de som te nemen. En dan nog. Als je wéét dat de maanillusie blijft bestaan als je met maar één oog naar de horizonmaan kijkt (wat Kaufman en Rock zowel ontkenden als erkenden), tja, wat zie je dan als je met één oog naar de maan kijkt.

Als het waar is dat de ondersteboven gehouden waarnemer de maanillusie niet ziet, dan kun je dit nog niet zien als bevestiging van de ‘angle of regard’-hypothese die er van uit gaat dat de positie van het hoofd, of de ogen in het hoofd, bepalend zijn voor de illusie. Stanley Coren (University of British Columbia) liet in 1992 zeventig studenten horizonmaantjes beoordelen die waren aangebracht in tekeningen van landschappen en stadstaferelen met extra veel diepte-suggestie. Legde je de studenten ondersteboven-tekeningen voor, dan zagen ze de horizonmaan daarop nét een klein beetje kleiner dan in tekeningen die rechtop lagen. Het ligt niet aan hoofd en ogen, concludeerde Coren, maar aan de suggestie van diepte (de ‘depth cues’) in de tekeningen. De dieptewerking van het landschap verzwakt als je het ondersteboven bekijkt.

Interessant is dat astronaut Wubbo Ockels in oktober 1985 vanuit de shuttle Challenger nooit een spoor van een maanillusie te zien kreeg als de vollemaan weer achter de aardrand te voorschijn kwam. Hij vermeldde het in de oratie die hij in 1993 uitsprak bij de aanvaarding van zijn Delftse hoogleraarschap en schreef het toe aan het wegvallen van het gevoel voor horizontaal en verticaal. Het kan natuurlijk ook dat de verre aarde onvoldoende dieptewerking leverde.

De ‘angle of regard’-hypothese was al in 1962 verworpen door Kaufman en Rock. Het lijken vooral het perspectief in, en de dieptewerking van het landschap rondom de opkomende volle maan die de illusie opwekken. Stanley Coren en Deborah Aks bewezen in 1990 als eersten dat het effect ook in tekeningen en schilderijen doorwerkt. Stephanie Jones en Alexander Wilson (University of New Brunswick) bevestigden het in 2009. Of de ‘artistieke maanoverdrijving’ met het effect verband houdt is nog niet onderzocht. Er is in de AW-rubriek sinds januari 1992 met enige regelmaat op gewezen dat schilders en tekenaars de maan stelselmatig te groot afbeelden in hun kunstuitingen, soms wel een factor vijf te groot of nog meer. Ook Coren en Aks en Jones en Wilson is het opgevallen. Waren de kunstenaars in de ban van de illusie? Ze doen het voor de mooi, denken de Canadezen.