Recensie

Recensie Boeken

Waar komt de mannelijke woede vandaan?

Ben Lerner Het opgroeien van een jongen in Topeka, Kansas, groeit in de handen van schrijver en dichter Ben Lerner tot een verhaal over het Amerika van nu – en niet alleen vanuit zijn perspectief. (●●●●)

Ben Lerner in 2013.
Ben Lerner in 2013. EPA/PACO CAMPOS

‘I, too, dislike it’, schreef dichter Marianne Moore in een gedicht over poëzie. Het essay The Hatred of Poetry (2016) van de Amerikaanse schrijver en dichter Ben Lerner (1979) opent met dit gedicht en onderzoekt op vrolijke wijze hoe het in elkaar steekt, die afkeer van en het wantrouwen jegens de poëzie. Lerner werpt op dat je voor diepe afkeer hoge verwachtingen nodig hebt. Het ‘ideale’ gedicht bestaat immers alleen in onze verbeelding. Het zijn de feitelijke gedichten, die op het papier terechtkomen, die ons tergen, de gemankeerde uitwerkingen van het Idee.

Wat we ons voor kunnen stellen bevredigt ons meer, of beter, dan de realiteit. Maar tot de realiteit moeten we ons verhouden, of we nu willen of niet – het is van belang om tot de realiteit te komen.

Daar kun je een grondgedachte in zien van het psychoanalytische gedachtegoed. Ook in Lerners nieuwe roman Leerjaren in Topeka (2019) probeert hij de wereld en het menszijn te doorgronden aan de hand van dit gedachtegoed. Misschien niet verwonderlijk: zijn beide ouders zijn psychoanalytici. Lerner vergeet daarbij de beperkingen van het onderzochte leven niet. Hij impliceert veelvuldig dat wie zich onderwerpt aan de verregaande interpretatie van het eigen leven, de gemeenschap uit het oog kan verliezen.

Villawijk

De roman opent begin jaren negentig met een scène waarin scholier Adam Gordon op een nacht in een roeibootje tegen zijn verkering Amber aan monologiseert. Hij heeft niet door dat zij het scheepje allang verlaten, een hoopje kleren is wat rest. In zijn gedesoriënteerde zoektocht belandt hij uiteindelijk in wat hij denkt dat haar huis is. Eenmaal boven realiseert hij zich dat hij het identieke huis van een andere familie in de generieke villawijk aan het meer is binnengeslopen. De vervreemding is, zoals vaker in de roman, alomtegenwoordig. Als hij haar vindt is hij woedend. Ze vertelt hoe ze zich ooit van haar stoel heeft laten glijden, onder de dinertafel, toen haar stiefvader niet ophield met praten. Ze tijgerde naar de keuken en had met haar moeder lachend staan kijken naar de monologiserende man. Hoe gevaarlijk het een kort moment werd toen hij daar achter kwam. Adam is met zichzelf bezig, hij kan geen verband zien tussen de gebeurtenis op het meer en de anekdote. Dan breekt de vertelling open en een vertelstem uit de toekomst laat weten dat het nog twintig jaar zal duren voor Adam begrijpt waarom Amber die anekdote vertelde.

90s middenklasse

De openingsscène gaat in op twee van de vele thema’s die de roman rijk is. De eerste: wat betekent het taal tot je beschikking te hebben, wat zijn de politieke implicaties van het kunnen spreken? En de tweede: wat is mannelijke woede, en is er een verband te leggen tussen de culturele misvattingen omtrent het begrip ‘man’ en de zelfingenomenheid van de Amerikaanse middenklasse in de jaren negentig, het ‘einde-van-de-geschiedenis-denken’? Zijn deze samen een verklaring voor de opkomst van de huidige Amerikaanse president? Van de megalomane omvang van deze verbanden is de roman zich bewust. Zelfbewustzijn is de middle name van de ik-figuur, Adam Gordon uit het roeibootje, een afsplitsing van Lerner, die we eerder tegenkwamen in zijn eerste roman Het vertrek van station Atocha (Leaving the Atocha Station, 2011).

Naast ontluikend dichter en freestyler is scholier Adam ook een briljant debater in het debatteam op zijn school in Topeka, in Kansas. Lerner schrijft indringend over het mannelijk genie en op welke wijze hij vanuit de cultuur beschermd wordt en een ‘man-kind’ kan blijven. Als we Adam treffen staat hij op het punt een grote landelijke debatcompetitie te winnen. Hij heeft leren spreken in een gespleten sociale omgeving, terug te zien in zijn haardracht: een lange paardenstaart als een hippie, opgeschoren aan de zijkanten, ‘een rampzalig coiffuretechnisch compromis tussen het linksige huishouden van zijn ouders en de conservatieve staat waarin hij is opgegroeid’.

Lees ook de recensie van Ben Lerners veelgeprezen roman 21.04: Als de wereld vergaat, maak dan fictie

De debattrucs die Adam leert draaien om vorm. Eén ervan is het ‘spreiden’, het opratelen van uitzinnige argumenten, zodat je tegenstander nooit tijd heeft om alles te weerleggen, en ieder onweerlegd argument leidt tot puntenaftrek. Zo raakt taal losgezongen van de betekenis, dient die ter vertroebeling in plaats van ter verheldering. Een oudere student stoomt Adam klaar: ‘Na een of ander hyperwelbespraakt kletsverhaal over Jeltsin die zich niet aan zijn belofte houdt, wil ik je horen zeggen: “Nou, in Kansas noemen we dat dus een leugen.” Nadat je tekeer bent gegaan over een of ander verdrag waarmee de boringen in het Poolgebied worden gereguleerd, zeg je bijvoorbeeld: “Nou, in Kansas zouden we dat dus niet pikken.” Het kan me niet schelen of het echte uitdrukkingen zijn of niet, maar zeg het gewoon alsof het een waarheid als een koe is. Zeg “een waarheid als een koe”.’ De valsheid van deze technieken doorziet Adam, weifelend. Zijn diepe wil te winnen is sterker dan zijn teleurstelling over hoe dat kennelijk bewerkstelligd wordt.

Wisselende perspectieven

De roman vindt zijn reikwijdte in de wisselende perspectieven. Er zijn meer lyrische beschouwingen van een alwetende verteller over het leven van Darren, een zwakbegaafde klasgenoot van Adam. Darren en Adam zijn te zien als aan elkaar gespiegelde personages. Darren hult zich in stilzwijgen, wordt niet (over)geïnterpreteerd door liefdevolle ouders, krijgt de eindjes informatie die de wereld hem biedt niet aan elkaar gepast. Er sluimert geweld in al zijn scènes. De stukken over Darren lezen ook als een studie naar en een elegie voor een achtergebleven burger. Een antwoord op de argeloosheid van het Amerika waar ‘flyover country’ een gebezigde term was, waar Clinton sprak over een ‘basket of deplorables’.

En ook het perspectief van de ouders en hun (liefdes)geschiedenis komt aan bod, beiden zijn (ook in de roman) psychoanalyticus. Ze werken bij de prestigieuze Foundation, gebaseerd op de bestaande Menninger Foundation in Topeka. De vader staat er stilgevallen, rijke jongeren geestelijk bij, de moeder heeft groot succes met een boek over vrouwelijke woede. Haarscherp helpt ze haar vakgebied verder door de zwakke plekken in Freuds werk over het vrouwelijke te lokaliseren. Door haar succes wordt ze kostwinner, verliest ze een vriendschap, én vrouwen spreken haar aan op straat, dankbaar dat ze hun leven heeft veranderd. En er zijn ‘De Mannen’, gefrustreerden die anoniem het huis bellen en haar doodwensen. Haar tactiek ten lange leste: onbegrip en een slechte verbinding veinzen. Uitgezoomd kun je Leerjaren in Topeka, een boek over mannelijke woede, ook zien als gespiegeld aan het boek van de moederfiguur.

Zadie Smith

Waarmee we aanbelanden bij het aspect dat veel van de roman, veel van al Lerners romans, op autobiografische ervaringen is gebaseerd. Zoals bijvoorbeeld Coetzees boeken Youth en Boyhood zijn de romans van Lerner ook gefictionaliseerde memoires te noemen, of autofictie. ‘Wat is waar’ is een vraag die niet vaak iets oplevert in relatie tot de roman. In het licht van Zadie Smith’s recente essay in de New York Review of Books, Fascinated to presume: In defense of fiction is er misschien toch iets over te zeggen. Smith ziet zich genoodzaakt in dit essay het schrijven van fictie onder de tirannie van de ‘lived expierence’ vandaan te halen. Smith, ook fictie-schrijfdocent aan New York University steekt het niet onder stoelen of banken dat haar geduld met het adagium ‘je mag het alleen vertellen als je het zelf hebt meegemaakt’ is opgeraakt. In de fictie, stelt ze, gaat het niet om of iets waar is, het gaat om wat waar lijkt. Langs die lijnen gedacht bestaat het toe-eigenen van verhalen niet. Je wijdt je als schrijver aan de schijn van waarheid. Aan het goed veinzen.

Fictie als kunstvorm breekt juist een lans voor de interesse in de levens van ánderen. Smith roemt als een van de eigenschappen van fictie de bevordering van compassie. Identiteitspolitiek, schrijft ze, kan tot dwaze segregatie leiden. Fictie kan juist een manier zijn om de grenzen van onze verschijningsvormen tijdelijk op te heffen. Haar betoog lijkt hier en daar terug te verlangen naar vroeger, een moeilijk te realiseren en onvruchtbaar sentiment. Leerjaren in Topeka kun je zien als een synthese van de vragen en gedachten uit dit essay. Ze zijn opgenomen, geïntegreerd in de roman. Lerner zet het autobiografische in, én de inleving in de ander. Zo komt hij tot een van zichzelf bewuste veelstemmigheid. Via de Darren-figuur, via de stem van de moeder en vader, staat de inleving naast de lived experience van de Adam/Ben-figuur. Ze zijn complementair.

Jong gezin

De roman die begon in de jaren negentig sluit af met het eigen vaderschap van Adam Gordon en arriveert daarmee in het nu. Op een demonstratie tegen het immigratiebeleid treffen we hem met zijn jonge gezin. De centrale vraag van het boek schoof met het opgroeien van Adam Gordon mee. Van: hoe ben ik kind, naar: hoe ben ik mens, naar: hoe ben ik ouder. In die zin is het een roman over nalatenschap, wat geven we gezien en ongezien door? Het boek laat zien dat zodra we beginnen te spreken te vertellen, er patronen in mensenlevens vallen te ontdekken. Het literaire en het psychoanalytische kennen hier grote raakvlakken. De roman toont ook dat het zien van een patroon geen garantie geeft op verandering. En: hoe er voor alles dat je ziet minstens evenveel is dat je niet ziet, evenveel dat zich ongezien en onbestudeerd voltrokken heeft. Lerner thematiseert, terwijl hij reikt naar het grote begrijpen, tegelijk de onvolmaaktheid van het menselijk begrijpen. Dat maakt vergevingsgezindheid en strijdbaarheid mogelijk. Noodzakelijk voor progressie.

In de laatste scène, waarin Adam Gordon leert protesteren, suggereert Lerner via de leugen van de fictie dat het Amerika van nu opnieuw zal moeten leren te spreken, waarachtig, te midden van de alomtegenwoordige spreiding die de Amerikaanse politiek nu in zijn greep heeft.