Verzoek aan Strafhof: veroordeel leveranties van wapens die burgers in Jemen doden

Bij luchtaanvallen in Jemen worden vaak wapens van Europese makelij ingezet. Zes ngo's verzoeken het Internationaal Strafhof te onderzoeken of de fabrikanten een aandeel hebben in vermeende oorlogsmisdaden.

Een Jemenitische man op de puinhopen van een gebouw in de hoofdstad Sana’a dat begin december door de coalitie onder leiding van Saoedi-Arabië werd gebombardeerd.
Een Jemenitische man op de puinhopen van een gebouw in de hoofdstad Sana’a dat begin december door de coalitie onder leiding van Saoedi-Arabië werd gebombardeerd. Yahya Arhab/EPA

Kan het Internationaal Strafhof (ICC) Europese bedrijven veroordelen voor wapenleveranties aan Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten, die de goederen inzetten in Jemen? Het European Center for Constitutional and Human Rights (ECCHR) diende namens zes mensenrechtenorgansiaties een verzoek daarvoor in bij de openbaar aanklager. Het overhandigde bewijs voor 26 luchtaanvallen door de Saoedische coalitie waarbij veel burgerdoden vielen. Bij de luchtacties met wapens van Europese makelij is sprake van „een patroon”, stelden de ngo’s donderdag tijdens een persconferentie. De coalitie is vaker beticht van „disproportioneel geweld”.

Rol van fabrikanten

Volgens ECCHR moeten de fabrikanten verantwoordelijk worden gehouden voor hun bijdrage daaraan. Het rapport gaat over grote bedrijven als het Britse BAE, het Duitse Airbus en Rheinmetall (en de Spaanse en Italiaanse takken) en het Franse Dassault. Die leveren nieuwe wapensystemen aan, of de reserveonderdelen, training en onderhoud voor gevechtsvliegtuigen die vóór de oorlog werden ingekocht. Zo vertelde personeel van BAE in juni aan The Guardian dat de diensten van meer dan 6.000 medewerkers essentieel zijn om Saoedische toestellen in de lucht te houden. „Dat toont de rol van fabrikanten”, stelt ECCHR-juriste Linde Bryk. „Natuurlijk willen we gerechtigheid voor burgers. Als de leveringen gestaakt worden, stoppen in ieder geval de bombardementen.”

Voor het exporteren van militaire goederen moet een vergunning worden verleend door nationale autoriteiten, gebaseerd op een Europese richtlijn. Zo wordt getoetst of materieel mogelijk wordt ingezet bij mensenrechtenschendingen.

Machtsstructuren

Omdat het Strafhof zaken behandelt over individuele verantwoordelijkheid, onderzochten de ngo’s de machtsstructuren binnen de bedrijven en de Europese lidstaten. „Wie is er verantwoordelijk voor de leveringen?, dat was de vraag. Dat zijn hoge managers van een fabrikant die een contract hadden kunnen annuleren. Of een ambtenaar die een exportvergunning kon weigeren.” zegt Bryk.

Het ICC is een laatste toevluchtsoord, dat alleen zaken in behandeling neemt waarbij de betrokken landen zelf geen vervolging willen of kunnen instellen. Het ECCHR klaagde al eens het bedrijf RWM aan in Italië, maar die zaak werd niet doorgezet door het OM in Rome.

De vraag blijft of het Strafhof makkelijk met de aangedragen informatie aan de slag kan. Het gaat doorgaans achter de hoofdschuldigen aan - dat zijn in het geval van de oorlog in Jemen niet de wapenleveranciers. Ook is onduidelijk in hoeverre bestuurders persoonlijk verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor de acties van een bedrijf. Nog niet eerder nam het ICC zo’n zaak in behandeling. Mede vanwege de lange lijst aan lopende vooronderzoeken die nog tot rechtszaken moeten komen lijkt het niet aannemelijk dat het daar nu mee begint. Bryk wil niets zeggen over de kans die het ECCHR zichzelf toedicht op een voortgang vanuit Den Haag: „Het is een goed teken dat we zijn ontvangen. En het hof kan ook helpen bij het achter de schermen druk uitoefenen op nationale rechtbanken.”