Foto Frank Ruiter

Interview

Van groot tennistalent naar drugsverslaafde: ‘Ik heb geen zelfmedelijden, hoor’

Lunchinterview Paul Dogger (48) gold ooit als Nederlands grootste tennistalent, maar ontspoorde door drugsgebruik en botte pech. „Soms denk ik: wat ben jij eenzaam geweest.”

Paul Dogger (48) vraagt via de mail of een ontbijt tot de mogelijkheden behoort. Lunchen doe je – heel onhandig – midden op de dag. Hij werkt zeven dagen per week, vanwege geldzorgen, bij een autoverhuurbedrijf. Dus als het kan liever een ontbijtinterview. Als ik aankom in zijn stamcafé aan de rand van het Amsterdamse Bos heeft hij zijn ontbijt al achter de kiezen. „Ik had het koud”, zegt hij half verontschuldigend. „Een broodje bal ging er wel in.”

Hij draagt een spijkerbroek, groen overhemd en bergschoenen. Ietwat afwachtend gaat hij aan tafel zitten in het schaars verlichte café.

Hij is anders dan ik me had voorgesteld, de man wiens levensverhaal NRC-journalist Peter Zantingh zo beeldend optekende in het onlangs verschenen boek Paul Dogger. Het tennistalent dat ten onder ging aan botte pech, drugs en zichzelf. Gevoeliger is niet het juiste woord, want uit alles in de biografie blijkt dat hij gevoelig is. Maar de casanova-achtige scènes beklijven kennelijk: Paul Dogger die ontmaagd wordt door een Frans tennismeisje, met zijn slapende collega Jan Siemerink op een halve meter afstand. Paul Dogger die in het vliegtuig een vluggertje heeft met een onbekende medepassagier (met alle gevolgen van dien). Paul Dogger die, min of meer uit verveling, het bed deelt met tennisvedette Jennifer Capriati.

Een rokkenjager is hij allang niet meer, maar spontaan is hij altijd gebleven, zegt Paul Dogger. Zo fietste hij een paar jaar geleden midden in de nacht met een schroevendraaier, beitel en keukentrapje naar het pand waar zijn vriendin Anette 25 jaar woonde en werkte als zelfstandig ondernemer. Het pand betekende veel voor haar, maar de makelaar vond dat het tijd werd voor een tattooshop. „Zij had recht op het huisnummerbord. Dus sloopte ik het van de muur.”

Zonder die spontaniteit had hij het de afgelopen decennia waarschijnlijk niet gered. Paul Dogger heeft flinke tegenslag achter de rug, niet zelden door eigen toedoen. Dat leidde tot financiële problemen, waardoor hij – al jaren – veel ballen in de lucht moet houden. „Soms zie ik dingen die er niet zijn. Dansende lantaarnpalen. Een hert op de weg. Gewoon, van vermoeidheid. En ik weet nog dat ik een keer ’s nachts op de oprit van de snelweg liep. Een boze bestuurder bracht me bij zinnen. Of ik wel wist waarmee ik bezig was. Ik heb geen idee hoe ik daar terecht ben gekomen. Het moet een blackout van de stress zijn geweest.”

Hij meldde zich bij de crisisdienst en schuldhulpverlening, kreeg ADHD-medicijnen voorgeschreven en volgt sinds kort emotieregulatietherapie om zijn „racende gedachten te ordenen”. Anette accepteert geen „gekloot” meer, zegt hij. Dat houdt hem op koers. „Ze wil geen vriend die twee keer per week zonder benzine langs de kant van de weg staat omdat-ie dacht: het gaat nog wel.”

Benen afschroeven

Hoe hij zo kon afglijden – van Nederlands grootste tennistalent naar drugsverslaafde – staat in het 224 pagina’s tellende boek. Dat begint met de man van wie Paul Dogger zonder twijfel het meest gehouden heeft: zijn vader. Die had multiple sclerose en ging stukje bij beetje achteruit. „Met een meedogenloze willekeur begonnen zijn lichaamfuncties het een voor een te begeven.” Zijn vrouw en twee kinderen (Paul Dogger heeft een zusje) zagen het met lede ogen aan. De jonge Paul wilde iets doen, iets regelen. „Al had ik mijn eigen armen en benen eraf moeten schroeven. Maar ik was machteloos.”

Die machteloosheid maakte hem woedend, vertelt hij achter een kop chocomel. En het gebrek aan steun tijdens zijn vaders ziekteproces – van de vijfhonderd mensen bij de begrafenis hadden 475 geen poot uitgestoken – zorgde voor „een negatief beeld van de mensheid”. Paul Dogger was 24 toen zijn vader overleed. Hij heeft hem nooit anders gekend dan ziek. „Toen ik oud genoeg was om met hem te tennissen kon hij niet meer tennissen. Toen ik oud genoeg was om een biertje met hem te drinken, kon hij het glas niet meer naar zijn mond krijgen. Toen ik oud genoeg was om een goed gesprek met hem te voeren, had hij geen stem meer over.”

Ze communiceerden via oogcontact, „heel intens”. Wat hij in zijn vaders ogen zag? Het blijft even stil. „Herkenning. Ik denk dat mijn vader zich onbegrepen voelde, net als ik. Omdat hij een gat in zijn lichaam had, zo groot als een tennisbal. Tot op het bot kon je er in kijken. Waar waren al die vrienden toen hij ze nodig had?”

Paul Dogger in actie (1988). Foto Dick Coersen/ANP

Tennis lijkt soms bijzaak in ons gesprek, terwijl dat toch de sport is waarmee hij bekendheid verwierf. Er was een tijd dat hij beter presteerde dan zijn voormalige boezemvriend Richard Krajicek, die geen behoefte meer heeft aan contact, na jaren bijstand te hebben verleend. Paul Dogger won als junior de prestigieuze Orange Bowl in Miami – een officieus wereldkampioenschap – en maakte tennislegende Ivan Lendl tijdens een toernooi in Ede horendol met zijn vele dropshots. „Er lijken wel twaalf levens tussen toen en nu te zitten”, zegt hij. „Alsof het om een ander gaat. Gelukkig zijn er foto’s en filmpjes, anders zou ik bijna denken dat het allemaal nooit is gebeurd.”

Boezemvriend Krajicek

„De gelukkigste jaren van zijn leven”, noemt hij de periode tot z’n 23ste, toen hij met tennis stopte. Van de ballenjongen tot het reizen en zijn opa op de tribune: alles leek te kloppen. Hij was in control. Zelfs als hij een wedstrijd verloor leek zijn tegenstander een figurant omdat híj in een flow zat. „De dag dat ik van Lendl verloor (met 4-6 en 4-6) kon ik niet geloven dat het afgelopen was. Ik moet hem verbaasd hebben aangegaapt, want ik was ervan overtuigd dat ik ging winnen.”

Het zou de meest memorabele wedstrijd van zijn leven worden. De net 17-jarige Paul Dogger, die dat jaar plek 191 van de wereldranglijst bereikte – zijn hoogste ranking ooit – staat lekker te ballen tegen de nummer één van de wereld. Hij verliest weliswaar, maar speelt opmerkelijk goed voor een relatief onbekende en veel lager gerangschikte tennisser. Er zitten duizenden mensen op de tribune, er zijn veel media bij. „Na afloop was het een gekkenhuis. Ik gaf veel interviews en kreeg een contract aangeboden met een gigantisch bedrag. In dat jaar leek niets mijn geluk in de weg te staan.”

Wat er daarna gebeurt zal zijn leven voorgoed veranderen, zegt hij. Het is het jaar na zijn wedstrijd tegen Ivan Lendl en Paul Dogger zit in het vliegtuig naar de Australian Open. Een vrouw van begin dertig begint met hem te flirten. Als de lichten doven belanden ze op de wc. Een anoniem avontuurtje, „zonder diepere betekenis”. Maar dan vertelt de vrouw dat zij net gescheiden is omdat haar man aan groepsseks wilde (blijven) doen. Ze was er klaar mee. En oh, ze is niet aan de pil. Mocht ze onverhoopt zwanger worden, dan zal ze hem er niet mee lastigvallen.

Paul Dogger (links) na de partij tegen Ivan Lendl in 1988. Foto Marcel Antonisse/ANP

Paul Dogger raakt in paniek. Zó in paniek, dat hij er letterlijk ziek van wordt. Hij is bang dat hij die enge nieuwe ziekte – aids – zal oplopen. En waarom zou de vrouw hem niet opzoeken als hij internationaal doorbreekt – en daar ziet het in die tijd wel naar uit. Hij zit als het ware in een catch 22: presteert hij goed, dan is de kans groot dat het avontuurtje vroeg of laat zijn leven verwoest. Presteert hij slecht, dan kan hij niet voldoen aan de verwachtingen van zijn Amerikaanse managementbureau, dat hem een ton per jaar betaalt. „En dan had ik in die tijd ook nog een vriendin”, zucht hij. „Wat als ze er achter zou komen? Wat als ik haar aids zou geven?”

Na zijn vlucht naar Australië gaat het bergafwaarts. Paul Dogger blijft spelen, maar is steeds vaker ziek of geblesseerd. Terwijl tennisvrienden als Richard Krajicek en Jan Siemerink de top-500 bereiken, kwijnt hij weg. Tennis voelt als een verplichting. Liever dan ver te reiken bij een toernooi in Portugal, gaat hij naar PSV-Ajax. Dan maar met opzet verliezen zodat hij op tijd terug kan.

Als hij stopt met tennissen, en zijn vader overlijdt, raakt Paul Dogger aan de drugs. Al zijn verdiende geld – en meer dan dat – gaat op aan zijn verslaving. Een deel van de vier ton aan schuld die hij in die jaren opbouwt, betaalt hij een kwart eeuw later nog steeds af.

„Het mooiste aan Paul vond ik altijd dat hij nooit iets of iemand anders de schuld gaf van dingen die mis zijn gegaan in zijn leven, behalve zichzelf”, schrijft Zantingh. En in dat schaars verlichte café in Amsterdam blijkt zijn gelijk. „Natuurlijk frustreert het als je zeven dagen per week werkt en nog steeds aan de grond zit”, zegt Paul Dogger. „Maar ik heb geen zelfmedelijden, hoor. Hooguit denk ik nu en dan: wat ben jij eenzaam geweest.”