Recensie

Recensie Uit eten

Prima Koreaans bij de ‘rijstbaas’ in helverlichte en druk bezochte zaak

Uit eten Rotterdam Wim de Jong recenseert elke twee weken een restaurant in of rond Rotterdam.

Foto Walter Herfst
Foto Walter Herfst

Zoals het in een ‘echt’ Aziatisch restaurant betaamt, wordt er ook in Bapboss (de ‘rijstbaas’) geen woord Nederlands gesproken. Wie het Engels en het Koreaans niet machtig is, zal bovendien niet begrijpen wat de menukaart voor de gast in petto heeft, en wat er in de karakters van het Hangul allemaal op de muren staat geschreven. De voertaal van de bediening en aan de tafeltjes wijst er al evenmin op dat we op een doordeweekse avond toch gewoon in een eethuisje aan de Rotterdamse Goudsesingel zijn beland, en niet ergens in de binnenstad van Seoel of een andere verre metropool. Zou het ermee te maken kunnen hebben dat we, hier aan de grens van de Stadsdriehoek, toch vlakbij het Kralingen van de expats en de foreign exchange-studenten van de Erasmus Universiteit zitten?

Goed wel dat het zaakje vol zit met mensen die er op zijn minst uitzien als Koreanen. Zo kunnen we een beetje afkijken in welke volgorde ze wát bestellen. Het is per slot van rekening al weer een even geleden dat we voor het laatst Koreaans aten (bij Gamasot op de Pannekoekstraat), en in Bapboss lijken de keuzes die je uit die nationale keuken moet maken net wat ingewikkelder. De 400- of 750-grams porties Dak-gangjeong (gefrituurde kip) staan op de kaart onder de hoofdgerechten, maar worden net als andere vleesschotels traditioneel voornamelijk als entree en sharing dishes besteld. De Bansang-plateaus, met soep als belangrijkste bestanddeel, zijn op hun beurt dan weer geen voorafjes maar juist main courses.

Allicht dat we dan alsnog iets fout hebben gedaan wanneer we even later met zijn tweeën boven een enorme berg kip zitten. Een appetizer waarmee je heel de Nederlandse divisie van, zeg, Samsung of Kia tijdens het happy hour zou kunnen voeden. De in een rieten broodmand opgestapelde dijen zijn gedrenkt in een hete saus (de Go to Hell; alleen voor eigen risico) of een wat mildere zoetzure variant. De boel kan worden afgeblust met een schaaltje frisse rettich ofwel daikon. Wij drinken er een Koreaans Cass-biertje bij, aangezien we dat brave theesippen om ons heen net iets te veel ‘s lands wijs, ‘s lands eer vinden. Dat ene pijpje van „Korea’s No. 1” blijken we trouwens slechts met moeite te kunnen legen. De soepen die op de kip volgen, laten er eenvoudig de ruimte niet voor.

We hebben de pots met respectievelijk kimchi (gepekelde groenten) en varkensvlees en die met soyabonenpasta en rund laten doorkomen. Ze worden opgediend op dienbladen met een zestal kleinere kommetjes eromheen: een pluk sla, een schaaltje bap (rijst), nog meer kimchi, gebakken ei, walnoten met sojasaus en komkommer in chilisaus. De bap roer je naar traditioneel gebruik door de soep, van de andere gerechten kun je naar eigen believen zelf een beschaafde kluts maken of ze met stalen eetstokjes apart proeven. Met hun delicate smaakjes bieden ze een passend tegenwicht aan de machtige, van soja getrokken Jjigae-soep en die flauwe, weeïge tofublokjes waarmee hij rijkelijk is gevuld. Want tja, tofu is en blijft toch een culinaire faux pas die de Aziaten moeilijk valt te vergeven.

Die mildheid kunnen we dan weer wel opbrengen voor de al even merkwaardige desserts van hun hand. Of je je diner nu bij de Chinees, de Thai of de Koreaan met een toetje besluit: als regel geldt dat je wiegje toch in het Oosten moet hebben gestaan om de mierzoete of juist gummi-achtige ingrediënten daarvan enigszins op waarde te kunnen schatten. Mijn gezelschap, toch een gerespecteerd kok met een Franse opleiding, laat het zijne zo goed als onaangeroerd staan. Zelf kom ik tot de helft van onze Da-Kwa, een typisch Koreaans grand dessert van gedroogde zoete aardappel, rijstcake en bonengelei. Ik ben er zelf uiteraard ook vet medeschuldig aan. Nóóit Koreaans gaan eten en dan beginnen met driekwart kilo gefrituurde kip.

Wim de Jong is culinair recensent.