Het grootste roofdier van de stad

Foto Getty Images
Foto Getty Images

Vorige week kreeg hij nog beelden binnen van een bewakingscamera waarop er een schichtig omkijkt: een vos, om twintig over een ’s nachts op de Galileistraat. De afzender was opgetogen door zo’n zeldzame vondst, maar er wonen inmiddels heel wat vossen in de stad, zegt stadsecoloog Niels de Zwarte van Bureau Stadsnatuur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam. „Een prachtig dier, mysterieus ook. Ik noem hem wel de stadswolf: het grootste roofdier van de stad.”

Er zijn naar schatting 8 burchten in Rotterdam, zegt hij, vooral in het talud van de A20 en de A16. Dat zijn perfecte plekken. Zanderige grond, veel konijnen en weinig mensen (en honden). „Ze worden alleen niet veel gezien, omdat het echte nachtdieren zijn. Toen ik een paar jaar geleden ging rondvragen, kreeg ik veel meldingen van artsen en verpleegsters; door nachtdiensten zijn zij vaak op straat wanneer de vossen dat ook zijn.”

Hoe hij weet hoeveel vossen er zijn? „Door dode vossen, die bij ons worden binnengebracht. Ik spaar vossen.” Er liggen in het collectiedepot van het Natuurhistorisch Museum nu 17 vossen die in Rotterdam zelf zijn gevonden. En als er zo’n vos binnenkomt, staat ze een smerige klusje te wachten, zegt De Zwarte: het analyseren van de maaginhoud. „Een ongelooflijk goor werkje.”

De Zwarte beschrijft de lucht als „een scherpe, zure en bedorven lucht”. Kots met ontbinding, zeg maar. Met een pincet halen ze de resten uit elkaar: ze vinden veertjes, hompjes vlees, en vruchten. „We hopen iets bijzonders aan te treffen, waaruit we kunnen afleiden dat de vos een stadsvos is geworden.”

Een beveiligingscamera registreerde in november van dit jaar een vos op de Rotterdamse Galileistraat.

Stadsvossen zijn een bekend fenomeen uit Londen, waar de dieren ongeveer een eeuw geleden in de stad kwamen wonen en hun dieet volledig veranderde; ze eten wat mensen achterlaten, als echte dumpster divers. „Vossen zijn opportunisten en echte alleseters”, zegt De Zwarte.

Maar iets vergelijkbaars hebben ze in Rotterdam nog niet gezien. Hier hebben de vossen een gezond, voedzaam dieet van verse konijnen, waterhoentjes, meerkoet, af en toe een merel, paddestoelen, appels, of kikkers. „We hebben hier ondergrondse vuilcontainers, dus daar is niet veel te halen voor ze.” Eén keer heeft De Zwarte een broodje shoarma gevonden in de maag van een dode vos. „Met servetje en al.”

Maar vossen kunnen behoorlijk huishouden onder kippen en eenden, zoals laatst in Prinsenland, vertelt De Zwarte. Daar had er een tien siereenden in een tuin doodgemaakt. „Vossen zijn surplus killers: ze doden wat ze te pakken krijgen. Wat ze niet opeten, komen ze ophalen en begraven ze – hoewel ze vaak tussentijds gestoord worden.” De resterende dode dieren zijn niet best voor de reputatie van de vos.

Sinds wanneer er vossen in de stad wonen, is niet helemaal duidelijk. In de jaren veertig leefden er alleen op de zandgronden van Nederland vossen, in de decennia daarna trok de vos verder op naar het westen. De eerste onbevestigde waarneming in Rotterdam was in 1998, en de eerste melding waarvan de stadsecologen zeker weten dat hij klopt, is uit 2002.