Recensie

Recensie Boeken

Het grimmige werk van twee superspionnen

Russische spionnen Twee Britse auteurs geven in hun boeken een fraai beeld van de uiteenlopende eigenschappen die van een spion een meesterspion kunnen maken.

Pasfoto van Richard Sorge, 1924 (l); Oleg Gordiëvski (r)
Pasfoto van Richard Sorge, 1924 (l); Oleg Gordiëvski (r) Foto uit besproken boeken / Ilpo Musto, Hollandse Hoogte

Na een ritje achterop de motor bij meesterspion Richard Sorge ging iedere vrouw voor de bijl, van ambassadeursechtgenote tot bardame. Met een halsbrekende tocht door het centrum van Tokio verleidde hij tientallen vrouwen om hun saaie leventje achter zich te laten en in zijn armen het avontuur te zoeken. Opvallend: ondertussen bleef hij de beste vrienden met de collega’s/echtgenoten/kroegeigenaren onder wier duiven hij schoot. Sorge (1895-1944) was kennelijk een man op wie alle vrouwen verliefd werden en met wie alle mannen bevriend wilden zijn: een nuttige eigenschap voor een spion.

Owen Matthews, voormalig Newsweek-correspondent in Moskou, heeft met De onfeilbare spion. Richard Sorge, Stalins geheim agent een fascinerend boek gepubliceerd over Sorge en de decennia voor de Tweede Wereldoorlog waarin hij als gepassioneerd communist met schaamteloze en levensgevaarlijke spionage de toekomst van de Sovjet-Unie probeerde veilig te stellen. Dankzij Sorges voorspelling dat de Japanners hen niet in de rug zouden aanvallen, konden de Russen eind 1941 hun divisies uit Azië weghalen om de Duitsers voor Moskou tegen te houden.

Een gelukkig toeval wil dat er met De spion en de verrader van The Times-journalist Ben Macintyre onlangs nóg een bloedstollende biografie is verschenen over een Sovjetspion, Oleg Gordiëvski (1938). In tegenstelling tot Sorge raakte KGB-man Gordiëvski, die actief was in de jaren zeventig en tachtig, volstrekt gedesillusioneerd over het communisme. Hij meldde zich bij de Britse geheime dienst MI6 en zou zich ontwikkelen tot de meest succesvolle dubbelspion van de Koude Oorlog. Als persoon was hij compleet het tegenovergestelde van Sorge: een brave burgerman die nauwgezet zijn werk deed. De boeken van Matthews en Macintyre geven samen een fraai beeld van de soms wel heel verschillende karaktereigenschappen die van een spion een superspion kunnen maken.

Wereldrevolutie

Richard Sorge werd geboren in Bakoe als kind van een Duitse ingenieur die in deze Zuid-Russische stad in de olie-industrie werkte. Het gezin keerde na enige jaren terug naar Duitsland, waar Sorge in 1914 de gehaktmolen van de Eerste Wereldoorlog werd ingezogen. Hij overleefde de strijd, maar raakte een aantal keren zwaar gewond. Teleurgesteld in zijn vaderland ging hij op zoek naar een manier om dit soort slachtingen in de toekomst te kunnen voorkomen. Wie hadden er eigenlijk baat bij oorlogen?

Het antwoord op die vraag vond hij in de werken van Hegel, Marx en Engels: het grootkapitaal was de schuldige, en alleen een socialistische omwenteling kon zorgen voor vrede. Toen die revolutie in 1917 plaatsvond in Rusland, wist Sorge dan ook wat hem te doen stond. ‘Ik besloot de beweging niet alleen theoretisch en ideologisch te steunen, maar er werkelijk deel van te gaan uitmaken.’ Hij werd actief in de Duitse arbeiders- en soldatenopstanden van 1918 en 1919. Toen die op niets uitliepen, sloot Sorge zich aan bij het inlichtingenapparaat van de Komintern, het internationale samenwerkingsverband van communistische partijen, om de wereldrevolutie veilig te stellen.

Na een verblijf in Moskou, waar hij werd ingelijfd door de militaire inlichtingendienst GROe, belandde Sorge voor zijn eerste missie in de Chinese havenstad Shanghai, als journalist voor de Frankfurter Zeitung. In 1933 zond de GROe hem naar Japan. Zijn Russische vrouw bleef in Moskou achter. Japan had expansionistische neigingen en Duitsland zocht, tot verontrusting van de Sovjets, toenadering tot het land van de rijzende zon. Sorge moest erachter komen hoe groot het Japanse gevaar was voor de Sovjet-Unie.

Zes directeuren vermoord

In Tokio wist Sorge een ongekend veelzijdig spionagenetwerk op te zetten. Zelf papte hij aan met de Duitse ambassadeur Eugen Ott (en diens vrouw), terwijl hij Japanse spionnen aanstuurde die functioneerden in de hoogste kringen van het establishment. Al snel kwam er een rijke informatiestroom op gang.

Helaas voor Sorge gebeurde dat tegen een achtergrond van grote politieke onrust in de Sovjet-Unie. Josef Stalin ontketende in de loop van de jaren dertig de Grote Zuivering, waarbij honderdduizenden leden van de communistische partij het slachtoffer werden van zijn dodelijke achterdocht. Stalin had het in het geheel niet op buitenlanders – hij vernietigde de Komintern – en Sorge stond daarom onder verdenking, ook al had hij daartoe geen enkele aanleiding gegeven. De zuiveringen troffen ook de GROe; binnen twee jaar tijd werden zes directeuren tegen de muur gezet. Sorge werd in 1937 met klem verzocht terug te keren naar Moskou voor ‘een overleg’, maar dit verzoek legde hij wijselijk naast zich neer.

Op een avond veroorzaakte hij stomdronken een ernstig ongeluk terwijl hij filmrolletjes met belastend materiaal op zak had

Deze ongehoorzaamheid had tot gevolg dat toen hij in de loop van 1940 en 1941 de in de Duitse ambassade opgedane kennis doorgaf over de aanstaande aanval op de Sovjet-Unie, hij niet geloofd werd. Stalin krabbelde op een rapport dat Sorge waarschijnlijk een provocateur was. Hier deed zich dus de vreemde situatie voor dat alleen als Sorge zich in 1937 had laten executeren, hij in 1941 geloofd zou zijn.

Stomdronken

Sorge verloor zijn geloof in de communistische zaak niet, maar werd wel wanhopig. Hij dronk steeds meer en haalde levensgevaarlijke capriolen uit. Op een avond veroorzaakte hij stomdronken een ernstig ongeluk. Hij had filmrolletjes met belastend materiaal op zak, maar wist bij bewustzijn te blijven totdat een kameraad hem in het ziekenhuis van dit gevaarlijke materiaal had ontdaan. Niet voor de eerste keer kroop hij door het oog van de naald.

De serieuze monografie van Nadine Akkerman over 17e-eeuwse spionnes werd een hit in Groot-Brittannië. Lees ook: ‘Niemand geloofde dat een vrouw spion kon zijn’

Nadat de Duitsers op 22 juni 1941 de Sovjet-Unie waren binnengevallen, realiseerden Stalin en zijn trawanten zich eindelijk dat ze met Sorge goud in handen hadden. Zijn bericht dat de Sovjets zich geen zorgen hoefden te maken over een Japanse aanval op Oost-Rusland, zorgde ervoor dat broodnodige divisies van Azië naar het westen konden worden verplaatst. Ze waren net op tijd om een beslissende bijdrage te leveren aan het stuiten van de Duitse opmars.

Sorge kon niet lang genieten van zijn triomf, want de Japanners slaagden er dankzij een onvoorzichtige lokale spion in zijn netwerk te penetreren. Zijn leven eindigde aan de strop in een Japanse gevangenis, op 7 november 1944. Zijn laatste woorden waren, in helder Japans: ‘Sakigun [het Rode Leger]! Kokusai Kyosanto [de Internationale Communistische Partij]! Sovjet Kyosanto [de Sovjet-Russische Communistische partij)!’

KGB-gezin

Richard Sorge bleef dus tot zijn dood geloven in de idealen van het communisme. Dat gold niet voor Oleg Gordiëvski, in 1938 geboren in een echt KGB-gezin. Zijn vader was een hoge officier van de NKVD (de voorloper van de KGB) en zijn oudere broer maakte ook carrière binnen de organisatie. Olegs toekomst lag al vroeg vast.

Zijn vertrouwen in de partij kreeg echter een gevoelige klap toen hij in 1961 in Berlijn was, juist op het moment dat daar de Muur werd gebouwd. Had dit regime écht wel het beste voor met zijn mensen? Het neerslaan van de Praagse Lente in 1968 gaf hem het laatste zetje: het communisme moest niet worden verdedigd, maar juist bestreden. Gordiëvski bevond zich inmiddels als junior-KGB-medewerker op de Russische ambassade in Kopenhagen. Hij liet aan de telefoon, waarvan hij terecht vermoedde dat die door westerse inlichtingendiensten werd afgeluisterd, in een gesprek doorschemeren dat hij teleurgesteld was in zijn vaderland. De truc werkte. Het duurde even, maar toen werd hij door MI6 op zijn schouder getikt: wilde hij een dubbelspion worden? Het antwoord was een volmondig ja.

Lees ook: De Russische ambassade in Den Haag is een zenuwcentrum voor spionage

Gordiëvski maakte voorspoedig carrière en belandde begin jaren tachtig op een hoge KGB-post op de Russische ambassade in Londen. Van daaruit verschafte hij kostbare informatie die op het bureau van Margaret Thatcher en zelfs Ronald Reagan zou belanden en zo de Koude Oorlog mede vorm gaf.

Verraden

Het doek viel voor Gordiëvski toen hij in 1985 verraden werd door CIA-dubbelspion Aldrich Ames. Hij werd teruggeroepen naar Moskou, een zekere dood tegemoet. Hoe MI6 er uiteindelijk in slaagde hem uit de Sovjet-Unie te bevrijden, is de zenuwslopende apotheose van het boek, door de Brit Macintyre zo spannend opgeschreven dat je de film meteen voor je ziet. (Gordiëvski kan goed gespeeld worden door een onkreukbare held als Matt Damon. Een film over Sorge zou meer een psychologisch drama zijn, met Joaquin Phoenix in de hoofdrol.)

De boeken van Matthews en Owen verschillen op belangrijke punten van elkaar. Matthews moet het doen met papieren bronnen en is soms wel héél volledig in zijn beschrijving van talloze personen en politieke situaties. Macintyre heeft veel betrokkenen kunnen interviewen, maar bij hem zou je juist hier en daar wat meer politieke en historische context willen hebben.

De onfeilbare spion en Spion en verrader geven samen een beklemmend beeld van zestig jaar spioneren voor en tegen de Sovjet-Unie. Dat was heel soms romantisch, maar vaker grimmig en levensgevaarlijk werk.