Een ramp op de weg, maar rijtest is niet meer nodig

Rijvaardigheid

Oudere automobilisten die gevaarlijk rijden, maar die geestelijk in orde zijn, behouden zonder rijtest hun rijbewijs. Het is de wet, zegt het CBR. Dat is gevaarlijk, zegt de medisch adviseur.

Het dossier van deze vrouw belandde bij Wim van Os (64). Hij is medisch adviseur bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). De neuroloog komt, nadat hij het dossier heeft gelezen, tot de conclusie dat de vrouw niet dementerend is of een andere neurologische aandoening heeft. Maar vanwege haar herhaalde gevaarlijke rijgedrag wil Van Os haar rijvaardigheid in de praktijk getoetst zien. Zijn verzoek om een rijtest wordt geweigerd. De vrouw houdt haar rijbewijs en mag dus weer de weg op.

Het is dit soort gevallen waardoor Van Os in gewetensnood komt. Het CBR legt nooit rijtesten op aan automobilisten, wanneer de arts bij hen geen ziekte constateert die de rijgeschiktheid vermindert. Deze automobilisten mogen hun rijbewijs houden, ook al zijn ze door de politie aangehouden voor gevaarlijk rijgedrag. Het gaat om enkele tientallen mensen per jaar. „Al gauw één per week”, zegt Van Os: „Ik kon daar geen verantwoordelijkheid voor nemen.”

Van Os, 23 jaar lang keuringsarts bij het CBR, legt zijn bezwaren voor aan zijn leidinggevenden bij het CBR. De verkeersveiligheid is in het geding, zegt hij.

Wim van Os.Foto David van Dam

En dat is het maatschappelijk belang dat hij met hart en ziel dient. Nadat hij bij álle betrokken leidinggevenden bij het CBR bot vangt én hij een Tweede Kamerlid heeft benaderd dat op dat moment weinig kan doen, stuurt hij NRC een e-mail. Thuis in Den Haag staat in zijn boekenkast een ordner waar hij alle gespreksverslagen en documenten achter tabbladen bewaart.

Lees ook: Oudere of zieke automobilist wacht lang op rijbewijs

Het CBR zegt in een reactie niet anders te kúnnen dan deze automobilisten door te laten rijden. „Als uit een medische keuring blijkt dat er geen sprake is van een specifiek ziektebeeld dat de verkeersdeelname bemoeilijkt, dan mogen we van de wet niet óók nog een rijvaardigheidstoets opleggen”, zegt arts Ruud Bredewoud, Hoofd Medische Zaken. Hij benadrukt dat de verkeersveiligheid bij hem „in het bloed zit”, maar dat hij niet het risico wil lopen dat een automobilist een „oneigenlijk opgelegde” rijtest met succes aanvecht bij de bestuursrechter: „Ik wil niet dat de test onder vuur komt te liggen, want het product rijtest gaat me zeer aan het hart.”

Zo’n twintigduizend keer per jaar vraagt de politie het CBR, om precies te zijn de afdeling Vorderingen, om nader onderzoek te doen naar een automobilist die is aangehouden voor rijden onder invloed van alcohol of drugs of gevaarlijk gedrag in het verkeer. Bij oudere automobilisten kan het rijgedrag – bijvoorbeeld slingeren of spookrijden – twijfel wekken over hun vermogen om veilig te rijden. In het verleden moesten zij van het CBR vaak een praktijktest doen om hun rijváárdigheid aan te tonen. Tegenwoordig worden ze veel vaker onderworpen aan een medisch onderzoek om hun rijgeschiktheid te toetsen.

Wetswijziging

Deze omslag is het gevolg van een wetswijziging in november 2016, waarbij de nadruk is komen te liggen op de medische toestand van de automobilist. Oudere automobilisten veroorzaken namelijk niet meer ongelukken dan jongere automobilisten. Ze kunnen wel minder goed rijden – door onder meer een verminderd reactievermogen en slechter zicht – maar compenseren dit door minder hard te rijden, de spits te mijden en zoveel mogelijk met daglicht de weg op te gaan. Alleen ouderen met (beginnende) dementie missen het zelfinzicht voor zulk compensatiegedrag. Daarom worden ouderen die van de weg zijn geplukt in beginsel door de neuroloog onderzocht op neurocognitief disfunctioneren, zoals dementie. Wie geestelijk niets mankeert, is in principe rijgeschikt.

Lees ook: Wat te doen tegen onveilig weggedrag?

Maar in de praktijk is dat niet altijd zo, zeggen Van Os en zijn drie collega’s op de afdeling Vorderingen: „Veel oudere mensen die een gevaar op de weg zijn, zijn niet aan het dementeren.” Dat is de ervaring van Van Os en zijn drie collega-medisch adviseurs (allen arts) op de afdeling Vorderingen. Dat is ook de indruk van verkeersexpert Koos Spee, voormalig landelijk verkeersofficier van justitie: „Er is een groep oudere automobilisten, die geen dementie-diagnose hebben, maar van wie de rijvaardigheid wel twijfels oproept – bijvoorbeeld bij familieleden, of bij de politie. In die gevallen zou je deze mensen naar mijn mening altijd een rijtest moeten laten doen.”

Dat dit niet gebeurt komt door de manier waarop het CBR onderzoek doet. Een jurist bekijkt het dossier en bepaalt of er praktijkonderzoek (rijtest) wordt gedaan of een medisch onderzoek. In het laatste geval gaat een automobilist naar een neuroloog en belandt het dossier bij de medisch adviseurs. Die mogen dan volgens Bredewoud bij twijfel niet alsnog zonder medische grond een rijtest opleggen: „Mijn afdeling gaat over rijgeschiktheid en moet wegblijven bij rijvaardigheid. Anders gaan we met de rijtest onderuit bij de bestuursrechter.” Gevraagd naar voorbeelden daarvan, noemt het CBR twee bezwaarzaken die niet zijn doorgezet omdat „die bij de bestuursrechter zeker verloren” zouden zijn.

Lees ook: Red mij uit de incompetente handen van het CBR

Van Os zegt dat de medisch adviseur ook na medisch onderzoek wel degelijk een rijtest kan opleggen. „De persoon is immers door de politie bij het CBR aangemeld vanwege gevaarlijk rijgedrag.” Sterker nog, dat moet zelfs, want „volgens de wetgeving is ook in die gevallen een rijtest vereist”.

De medisch adviseurs bleven in het eerste jaar na de wetswijziging dan ook rijtesten opleggen. Van Os: „Want wij artsen kregen het rapport van de neuroloog.” Dan waren er drie smaken: bleek iemand ernstig dementerend, dan werd hij meteen ongeschikt verklaard. Was iemand beginnend dementerend, dan legde de medisch adviseur een aanvullende rijtest op. Was er geestelijk niets met de persoon aan de hand, dan werd er door de medisch adviseur óók een aanvullende rijtest opgelegd. Vervolgens zijn er twee mogelijkheden: de rijtest gaat goed. De persoon kan zijn rijbewijs houden. Of het rijgedrag is onvoldoende. Het rijbewijs wordt ongeldig verklaard.

Aan deze praktijk komt in 2018 een einde. „Het was me opgevallen dat er ondanks de wetswijziging nog steeds testen werden aangevraagd door de medisch adviseurs”, zegt juriste Eveliene van Pernis, manager Bezwaar en Beroep bij het CBR. Dat die aanvragen aanvankelijk werden goedgekeurd, is volgens haar te wijten aan de „overgangsfase” na de wetswijziging. Begin 2018 stuurt Van Pernis de medisch adviseurs een mededeling, zegt Van Os: „Alle mensen die door de neuroloog worden beoordeeld als ‘neurologisch in orde’ mochten we niet langer doorverwijzen voor een rijtest. Zij moesten zonder aanvullend onderzoek geschikt worden verklaard.” De medisch adviseurs zijn het daarmee zeer oneens, reageert Van Os. „We wisten uit ervaring dat ongeveer de helft van die mensen ongeschikt is om de weg op te gaan.” Zoals de 66-jarige vrouw uit het voorbeeld:

De medisch adviseurs bespreken begin 2018 hun zorgen met Bredewoud en Van Pernis. Van Os: „Ze bleven bij hun besluit. Wij moesten in lopende zaken de uitslag ‘geschikt’ vaststellen, zónder aanvullende rijtest.” Ik en een collega-arts zeiden dat we dit niet voor onze rekening konden nemen, zegt Van Os. Hij zegt ook: de twee andere artsen, beiden toen op een uitzendcontract, zeiden met tegenzin dat ze namens het Hoofd Medische Zaken wél deze mensen geschikt zouden verklaren.”

Van Os zoekt het hogerop en stuurt een lange e-mail aan de Divisiemanager Rijgeschiktheid. Die spreekt met Van Os op 15 oktober 2018 en zegt te willen wachten op de evaluatie, die inmiddels in gang was gezet.

Bij deze evaluatie van de nieuwe wet, die in februari 2019 wordt gepresenteerd, heeft het CBR bij wijze van steekproef de dossiers van de laatste vier maanden van 2017 bekeken. Uit een tabel blijkt dat als de medisch adviseurs een rijtest adviseren bij iemand die cognitief in orde is, in 38 procent van de gevallen de bestuurder toch niet geschikt wordt verklaard om te blijven rijden. In vier maanden tijd ging het om twintig gevallen, op jaarbasis zouden dat er dus zo’n zestig zijn. Het CBR zegt dat het in heel 2017 om zestien gevallen ging, maar onderbouwt dit ondanks aandringen niet met documenten.

Volgens het CBR is het nieuwe beleid „proportioneel” want „minder lasten voor klanten en een verwaarloosbaar negatief effect op de verkeersveiligheid”.

Van Os: „Ik vind dat een vreemde redenering. Het gaat niet om de last die klanten ervan hebben. Het gaat om veilige deelname aan het verkeer. Het negatieve effect is niet verwaarloosbaar, als er zestig personen op jaarbasis met gevaarlijk rijgedrag met medeweten van het CBR de weg op gaan. Dat kán eenvoudigweg niet. Elk gevaarlijk rijdend persoon is er al één te veel.”

Lees ook: Het failliet van de rijschool met onbeperkt lessen

Zouden de medisch adviseurs bij twijfels over een automobilist niet de mogelijkheid moeten hebben om iemand door te verwijzen naar afdeling rijvaardigheid? Na de vraag valt even een stilte op het kantoor van het CBR. Dan zegt Bredewoud: „Daarover zijn we aan het nadenken, want dit probleem neemt toe. We hebben het ook neergelegd bij onze wetgever.” Dat is het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Een woordvoerder zegt: „We gaan hier samen met het CBR naar kijken.”

Over deze discussie is mij nooit wat verteld, zegt Van Os. Hij heeft het in mei nóg hogerop gezocht en kreeg weer een gesprek: „Daar kreeg ik te horen dat ik het beleid van het management moest uitvoeren. Anders was er geen plaats meer voor mij bij het CBR.”

Twee weken na dat gesprek dient Van Os zijn ontslag in. „Ik was graag tot mijn pensioen blijven werken”, zegt hij. „Maar ik werd gedwongen beslissingen nemen die de verkeersveiligheid in gevaar brengen. Terwijl mijn werk juist was om de verkeersveiligheid zo goed mogelijk te bewaken. Dat kón ik niet doen.”