Hoe grote schilders Drenthe ontdekten

Tentoonstelling In de 19de eeuw trokken schilders naar Drenthe voor de idyllische zanddorpen. Behalve Van Gogh, die ging naar het onbarmhartige veen.

Julius van de Sande Bakhuyzen: Rustende koeienhoeder aan oever van door bomen omzoomde waterkant (ongedateerd).
Julius van de Sande Bakhuyzen: Rustende koeienhoeder aan oever van door bomen omzoomde waterkant (ongedateerd). Foto Drents Museum

Max Liebermann (1847-1935) was een welgestelde kunstschilder uit Berlijn. Dus toen in 1882 twee bevriende kunstenaars hem opzochten in het Drentse Zweeloo, waren ze verbaasd over zijn uitdossing: „Liebermann lief in Holzschuhen und in einem blauen Kittel umher”, op klompen en in een boerenkiel. Dat kwam: hij wilde armoede schilderen, eenvoudig, landelijk leven, in een door de moderne tijd nog onaangetast gebied – en het gevoel daarvan ook zelf ervaren.

Althans, een beetje. Liebermann kwam weliswaar een paar zomers schilderen in Zweeloo, en gold door zijn onderwerpkeuze een tijdlang als Schmutzmaler, schilder van vuil, hij had wel degelijk een goed onderkomen in een herberg in het dorp. En Zweeloo was misschien armoedig, het lag wél in het Drentse zandgebied. Met zijn hoge luchten boven zandverstuivingen, zijn schaapskuddes op de heide, in de dorpen rietgedekte boerderijtjes, verschilde dat schilderachtige heuvellandschap totaal van dat van de veenafgravingen. Dáár, in het Drentse veengebied, had je de plaggenhutten en de turfstekers. De armsten van de armsten woonden er, in een donker, troosteloos landschap met lange, kaarsrechte kanalen om het veen af te voeren.

Je ziet het verschil terug op de tentoonstelling Barbizon van het Noorden, De ontdekking van het Drentse landschap 1850-1950 in het Drents Museum in Assen. Schilders als Max Liebermann, Anton Mauve, Jozef Israëls, Hendrik Willem Mesdag, George Hendrik Breitner en Julius van de Sande Bakhuyzen: allemaal kwamen ze eind negentiende eeuw naar ‘zanddorpen’ als Rolde, Vries, Exloo, Westerbork, Zweeloo. Tientallen pittoreske landschappen, idyllische dorpsgezichten en scènes uit het boerenleven schilderden ze er. Op de tentoonstelling zie je dat het nog altijd innemende, authentieke en overtuigende werken zijn. En indertijd goed verkoopbaar: de opkomende industrialisatie, en de vervreemding die er het gevolg van was, creëerden een grote vraag naar dit soort schilderijen, ook vanuit het buitenland.

Nee, dan de paar schilderijen uit het veengebied. Er is een somber Landschap met turfhopen en 3 vrouwen (ongedateerd) van Taco Mesdag, er zijn een paar turfschilderijen uit het begin van de twintigste eeuw én er is De Turfschuit (1883) van Vincent van Gogh: twee ploeterende veenarbeiders, de man duwt een kruiwagen naar de turfschuit, zijn diep voorovergebogen vrouw helpt hem sjouwen. Donkergroen, donkerbruin en donkergrijs zijn de overheersende kleuren, als de hemel niet blauw was geschilderd zou je denken dat de avond al gevallen was.

Want ja, als één van de weinigen ging Van Gogh (1853-1890) wél naar het veengebied, ook al bezocht ook hij zanddorpen. Sterker, hij was naar Drenthe gekomen omdat zijn broer Theo hem had aangeraden op bezoek te gaan bij Liebermann. Op 11 september 1883 nam Van Gogh de trein van Den Haag naar Hoogeveen (Theo had het treinkaartje betaald), waar hij een paar weken bleef en de omgeving verkende, het veengebied dus. Toen hij eindelijk in Zweeloo kwam, was Liebermann daar al weer weg: de schilders van het zandleven kwamen in de zomer, wanneer het weer goed was, ze buiten konden schilderen, en in hun eenvoudige logementen geen ontberingen hoefden te lijden.

Wat Van Gogh zag

Barbizon van het Noorden omvat vrijwel alleen schilderijen uit de eigen collectie van het Drents Museum. Veel van die schilderijen liggen doorgaans opgeslagen in depot (De Turfschuit niet); dat ze er nu uitgehaald zijn, heeft ook te maken met de 85-jarige verjaardag van Stichting Het Drentse Landschap: de tentoonstelling is een samenwerkingsproject. Het Drentse Landschap werd in 1934 opgericht uit ongerustheid over verdwijnend landschap: heidevelden werden ontgonnen, beken werden rechtgetrokken. Intussen beheert de stichting bijna tienduizend hectare natuurgebied, vooral heide, bossen en beekdalen, „waaronder nog veel ongeschonden plekken”, zei directeur Sonja van der Meer bij de opening van de tentoonstelling. Tegelijk, zei ze: wie nu dezelfde trein neemt van Den Haag naar Hoogeveen, ziet een heel ander landschap opdoemen dan Van Gogh in 1883: velden vol zonnepanelen, enorme, grauwgrijze en intussen omstreden zonneparken zijn het, die steeds vaker de plaats innemen van natuur en landschap.

Vincent van Gogh: De Turfschuit (1883)Foto Drents Museum

Wat Van Gogh zag? Uit een brief aan Theo: „In Drenthe zult gij U voelen als leefdet gij in de tijd van v. Goyen, Ruysdael, Michel, in dat wat men nu misschien in Barbizon ternauwernood vindt.” De titel van de tentoonstelling is eraan ontleend: Barbizon, onder Parijs, was in de tweede helft van de negentiende eeuw de eerste plek waar schilders die in de buitenlucht gingen schilderen, en masse naartoe trokken.

Drenthe kreeg een soortgelijke status, ook al omdat het dichterbij was, en goedkoper. Schilders moedigden elkaar aan om te komen, vaak namen ze hun intrek in dezelfde herbergen in dezelfde dorpen. Taco Mesdag en zijn vrouw Geesje Mesdag-van Calcar, die ook schilderde, hadden zelfs een buitenhuis in Vries, Huize Rezzago. Taco’s broer Hendrik Willem, de zeeschilder, en diens echtgenote Sientje Mesdag-van Houten, schilderes, kwamen er vaak.

Je ziet de gemoedelijke sfeer en de onderlinge verbanden af aan een schilderij als Bij Vries (1880) van Anton Mauve, die ook regelmatig logeerde in Huize Rezzago: een schilder, ongetwijfeld een van de broers Mesdag, zit met zijn schilderskist in het veld, om hem heen uitgestrekt, leeg land, boven de lage horizon een zware wolkenlucht.

Anton Mauve: Bij Vries (1880)Foto De Mesdag Collectie

Maar concurrentie was er natuurlijk ook: er moest wel brood op de plank komen. Van de Sande Bakhuyzen bijvoorbeeld, was iemand om in de gaten te houden: hij wist steeds opnieuw de meest schilderachtige plekjes te vinden, getuige Rustende koeienhoeder aan oever van door bomen omzoomde waterkant (ongedateerd), tevens het campagnebeeld van de tentoonstelling. Hij reisde er de hele provincie voor rond, en kwam jarenlang elke zomer, wat niet iedereen hem nadeed.

Mismoedig en melancholisch

Met Van Gogh ging het intussen niet goed in Drenthe. Hij was ernaartoe gereisd nadat hij had gebroken met Sien Hoornik, een voormalig prostituee met twee kinderen met wie hij een jaar had samengewoond. Begon zijn bezoek nog lyrisch (Aan Theo, half oktober 1883: „Toe kerel, kom mee schilderen op de hei, ’t aardappelveld, kom eens mee achter den ploeg en den schaapherder loopen – kom mee in ’t vuur kijken – laat U eens doorwaaien door den storm die over de hei waait. Breek er uit”), allengs werd hij mismoedig en melancholisch. Het regende, hij was eenzaam, het geld raakte op. Na drie maanden vertrok hij weer, om nooit terug te komen.

Voor zover bekend maakte Van Gogh vijf Drentse schilderijen, waarvan er drie hangen in het Van Gogh Museum in Amsterdam. Het Drents Museum toont de andere twee, De Turfschuit en het onlangs samen met het Van Gogh Museum verworven Onkruid verbrandende boer (1883). Dat werk was bij de opening nog niet te zien, maar er was al wel een plek voor vrijgehouden. Deze week werd bekend dat het er vanaf dinsdag hangt, aldus het museum, dat een grote Van Gogh-tentoonstelling voorbereidt voor in 2023.

Lees ook over de tentoonstelling ‘Van Goghs intimi’, tot 12/1 in het Noordbrabants Museum: Vincent van Gogh was ook familieman en kindervriend

De ondertitel van de tentoonstelling, De ontdekking van het Drentse landschap 1850-1950, zie je terug in een aantal latere schilderijen, en overigens ook in nóg later werk, dat hangt in een zaaltje dat ‘epiloog’ wordt genoemd: verstilde landschappen van Berend Groen uit de jaren 80 en 90 van de twintigste eeuw, de intrigerende landschapsfoto Erica uit 2019 van Saskia Boelsums, een kunstenares die in Drenthe woont.

Wat ook opvalt: wat Van Gogh pas ging doen in Zuid-Frankrijk, deden kunstenaars van de Groninger kunstkring De Ploeg in Drenthe. Op het kleurrijk-expressieve Winterlandschap in Drenthe (1928) van Jan Wiegers zie je Drenthe alsof je even in Arles bent: een landschap in vuur en vlam, allemaal kleuren onder een fel schitterende zon.

Barbizon van het Noorden, De ontdekking van het Drentse landschap 1850-1950, Drents Museum in Assen, t/m 22 maart, drentsmuseum.nl