Reinier van Zutphen, de Nationale Ombudsman. „Straks lukt het alleen de participatie-elite nog om nog mee te doen.”

Foto David van Dam

Interview

Ombudsman: Burgers worden als fraudeur bestempeld als ze een vinkje verkeerd hebben geplaatst

Interview Nationale Ombudsman De Nationale Ombudsman vreest dat de overheid burgers steeds vaker buitenspel zet, nu weer in de voorgestelde Omgevingswet.

Tegenwicht bieden aan een wantrouwende overheid die de burger niet meer wil bijstaan, maar als hindernis beschouwt. Het is inmiddels core business voor de Nationale Ombudsman, Reinier van Zutphen.

„Je ziet het nu weer bij de toeslagenaffaire, maar ook in de jeugdzorg of de schuldhulpverlening.” De essentie, zegt hij, is dezelfde: waar de overheid zich terugtrok, door decentralisaties en bezuinigingen, rukte het wantrouwen tegen de burger op.

„Burgers worden al tien jaar lang als fraudeur bestempeld als ze een vinkje verkeerd hebben geplaatst. Dat gebeurt nog steeds. Kijk naar die ouders van wie de kinderopvangtoeslag werd stopgezet, vorige week in de Tweede Kamer. Die hadden geen enkele fout gemaakt. En toch worden ze gewantrouwd.”

Waar komt dat wantrouwen vandaan?

„Het draait te weinig om de vraag: voor wie deden we het ook alweer, voor wie zijn we aan het werk? De burger zijn we in dat hele proces vergeten. Het draait allemaal om de vraag of de regels naar behoren zijn uitgevoerd. En hoe de resultaten worden afgerekend in de politiek.”

Zit het probleem bij de politicus die het beleid maakt of de ambtenaar die het uitvoert?

„Het begint in de top van de organisatie. Strak beleid, kengetallen, snelheid boven deskundigheid. Uitvoering van de officiële lijn, kortom. Daar worden uitvoerende ambtenaren op afgerekend. Zij passen die strakke lijn weer toe op de burger, want ze hebben geen ruimte om daarvan af te wijken.”

Waarom niet?

„Omdat het ontzettend moeilijk is als politicus of leidinggevende te zeggen: oké, ik vertrouw je. En we hebben het met elkaar ook zo ingewikkeld gemaakt, dat je alleen beleid kan maken vanuit de grootste gemene deler. We hebben onszelf als maatstaf genomen.”

Wie zijn die ‘we’?

„De beleidsmakers, de uitvoerders, zelfs de mensen hier bij mij. Kijk naar inspraakavonden, daar zie je dezelfde groep: welbespraakt, goed gebekt, mensen die passen in de systemen die we hebben bedacht. Maar daardoor dreigen we groepen te vergeten. Dat is bij alle vorige decentralisaties gebeurd en nu dreigen we bij de Omgevingswet die fout te herhalen.”

De Omgevingswet moet vanaf 2021 de wetgeving rond ruimtelijke ordening en het milieubeleid decentraliseren. De gedachte: gemeenten stellen alleen de regels op, burgers doen de rest. Wie een vergunning nodig heeft – voor een straatfeest, een koeienstal of boomkap – regelt dat zelf.

Daarop zijn burgers en gemeenten nog lang niet voorbereid, merkte Van Zutphen. Vandaag komt hij op basis van een rondgang met een lijst van aandachtspunten. „De vraag is: wordt de burger straks nog bediend?”

Van Zutphen is niet de enige die daaraan twijfelt. De Eerste Kamer schoof deze week de behandeling van de wet door naar 2020, ondanks grote druk vanuit het ministerie om nog dit jaar groen licht te geven.

Lees ook: Omgevingswet dreigt te stranden.

U bent er vroeg bij met uw twijfels.

„Ik ben realistisch. Die Omgevingswet gaat er gewoon komen, of het nou in 2021, 2022 of 2023 is. Maar de pessimist in mij zegt: daar gaan we een hoop problemen mee krijgen. Wachten op klachten is geen optie. Ik zie dat fouten uit het verleden weer gemaakt dreigen te worden. Daarom spreken we nu al de gemeenten aan.”

Welk scenario vreest u?

„We komen uit een stelsel dat zegt: er is een wet, er zijn regels en we weten wie die handhaaft. Nu gaan we naar een stelsel waarin iedereen de vrijheid krijgt zelf het initiatief te nemen. Dat klinkt heel fijn, als ik straks een dakkapel kan neerzetten zonder vergunning. Maar als de buurman daar niet tevreden mee is, wie zegt dan of ik gelijk heb? Dan kan de overheid toch niet zeggen: ‘Dat mag iedereen zelf weten!’

„Er zijn heel veel mensen die niet mee kunnen in die ingewikkelde bestuurlijke werkelijkheid van wetten, informatie, inspraak en participatie – of juist het ontbreken ervan.”

Hoe groot is die groep?

„Groot. Je ziet vaak het idee terugkomen dat wie zelfredzaam is, de dans ontspringt. Maar we zien dat ook die groep het nu niet altijd meer redt. Kijk naar daklozen, naar ouderen, mensen die digitaal niet meekomen. Dat zijn mensen die we zelfredzaam noemen, maar inmiddels ook verdwalen in regelgeving. De zelfredzaamheid hebben we ze afgenomen.”

Niemand voelt zich verantwoordelijk?

„Wat we zien bij de vorige decentralisaties, is dat de terugtrekkende overheid individuen in de steek laat. Met de Omgevingswet gaat het over hele groepen die geen beroep meer kunnen doen op de overheid. Straks lukt het alleen de participatie-elite nog om nog mee te doen.”

Bij de decentralisaties hoorde je juist: dit brengt de overheid dichter bij de burger.

„Dat was de belofte. Maar gemeenten moesten heel veel in één keer tegelijk erbij doen. Het gevolg: die gemeenten organiseren alles weer weg, in gezamenlijke regelingen. Dan zet je juist de burger weer op afstand.

„Je voelt tegelijkertijd bij de Omgevingswet dat het risico van dat ene verkeerde vinkje groot is. Dan is de overheid er wél, want dat mag niet.”

Dat klinkt tegenstrijdig: een overheid die er bóvenop zit als er een foutje gemaakt wordt, maar afwezig is als de burger haar nodig heeft.

„Je geeft mensen nu ruimte om het zelf te doen, maar niet het vertrouwen en de informatie dat ze dat ook goed doen. Als je als overheid van mensen heel veel verwacht en ze heel veel ruimte geeft, dan moet je ze ook ondersteunen. Dan mag je niet alleen maar om de hoek kijken als iemand een foutje heeft gemaakt.”

Hoe kan de overheid die rol wél waarmaken?

„Door de burger nooit uit het oog te verliezen. Denk aan een loketambtenaar die snapt wat die burger nodig heeft en dat ook aanbiedt. Dat is geen kwestie van afwachten. Zorg ervoor dat je weet wie het gaat raken vóórdat je regels aanpast, voordat je gaat bouwen of bomen kapt. Doen we niets, dan dreigt die ondersteunende rol van de overheid te verdampen.”