Reportage

Prins Bernhard wil het goud van Repelsteeltje

Theater De familievoorstelling van Theater Rotterdam staat elk jaar garant voor een mix van sprookjes en actualiteit. Dit keer begonnen regisseur Pieter Kramer en schrijver Don Duyns bij Repelsteeltje.

De spelers van Repelsteeltje en de blinde prinses voor paleis Soestdijk
De spelers van Repelsteeltje en de blinde prinses voor paleis Soestdijk Foto’s Mark David

‘Dit kan nóg viezer”, zegt regisseur Pieter Kramer halverwege een repetitie, nadat er tientallen als oogballen beschilderde pingpongballen uit een weckpot zijn gevallen en over de toneelvloer stuiteren. „Volgens mij werkt het beter als er juist maar één oogbal op de grond valt. Maar dan het liefst een soort lychee, waar Hofdame Winterspleet dan nog lekker over kan uitglijden.”

De hofdame verwijst naar Greet Hofmans, de alternatieve genezeres en vriendin van koningin Juliana. Juliana raakte steeds meer in de ban van het (extreem pacifistische) gedachtegoed van Hofmans, tot grote onvrede van prins Bernhard. Hun huwelijk kwam daardoor onder druk te staan. In Repelsteeltje en de blinde prinses, de nieuwe familievoorstelling van Theater Rotterdam, wordt de Greet Hofmans-affaire verknoopt met het sprookje over Repelsteeltje.

Dat gesol met de oogbollen is een vrolijke variant op historische feiten, benadrukt Kramer met zichtbaar plezier. Toen het volk hoorde dat prinses Marijke met een oogafwijking was geboren, werd het vorstenhuis bestookt met goedbedoelde brieven. In de biografie Het verhaal van een huwelijk schrijft Cees Fasseur over de macabere ‘ogenbrieven’, afkomstig van „meelevende vaderlanders die een eigen oog of ook wel dat van een huisgenoot aanboden”.

Details waar Kramer van smult. „Ik wil trouwens ook graag dat jij in deze scène helemaal onder de modder komt te zitten”, zegt hij tegen Judith van den Berg, die in de voorstelling prinses Marijke – in smetteloze jurk – speelt. Maar, voegt hij eraan toe, dan moet hij de kostuumontwerper nog even overtuigen, want dat zou betekenen dat ze een prachtige jurk moet ontwerpen, die uiteindelijk maar in één scène te zien kan zijn. Lang blijft hij er niet bij stilstaan. „Komt goed. Door!”

De jaarlijkse familievoorstelling van regisseur Pieter Kramer en toneelschrijver Don Duyns is een begrip in theaterland. Het is vaste receptuur voor een vrolijk-anarchistische mash-up van bekende (volks)verhalen en actualiteit, gegoten in een feestelijk jasje vol verkleedpartijen, meezingers en stiekeme seksgrappen.

Kreatief met kurk

Kramer verwierf eind jaren tachtig als televisieregisseur bekendheid met programma’s als Theo en Thea en Kreatief met Kurk. In 1999 regisseerde hij, samen met Rieks Swarte, met Ja Zuster, Nee Zuster zijn eerste familievoorstelling bij Theater Rotterdam (destijds nog het Ro Theater) en sinds 2004 is hij vast aan het gezelschap verbonden. Duyns is op dit moment een van de meest gespeelde (levende) toneelschrijvers in Nederland: alleen al dit seizoen zijn er drie nieuwe voorstellingen van zijn hand te zien.

Lees ook: Pieter Kramer over de laatste uitzending van Kreatief met Kurk (1994)

De samenwerking tussen Duyns en Kramer begon in 2007 met Lang en Gelukkig. De voorstelling werd een instanthit en werd drie jaar later bovendien verfilmd. Daarna volgde Snorro, de gemaskerde held (2009), Woef Side Story (2012), De Gelaarsde Poes (2015) en Hamlet, de familievøørstelling (2018). Het duo kreeg in september tijdens het Gala van het Nederlands Theater de prestigieuze Prosceniumprijs uitgereikt, voor hun wezenlijke bijdrage aan het Nederlandse toneel.

Hun familievoorstellingen worden vaak omschreven als een ode aan het theater. Kramer: „Ik hou heel erg van dat ouderwetse gevoel, van oude theatertrucs en houtje-touwtje-effecten. Dat doet me denken aan de poppenkast van vroeger: je weet dat je oom erachter zit, maar toch zit je helemaal met kippenvel in het verhaal. Naar die magie ben ik altijd op zoek: dat je ziet hoe je besodemieterd wordt, maar er toch in blijft geloven.”

Halverwege deze zomer legt Duyns de laatste hand aan de – „eh, even tellen hoor” – zesde versie van Repelsteeltje en de blinde prinses. Op verzoek zoekt hij even terug in zijn mailgeschiedenis: „Op 4 mei 2018 is officieel de knoop doorgehakt om met Repelsteeltje aan de slag te gaan, lees ik hier. In totaal wordt er dus pakweg anderhalf jaar aan zo’n voorstelling gewerkt.”

In het sprookje van Repelsteeltje beweert een oude molenaar dat zijn dochter goud kan spinnen uit stro. Als de koning dat hoort, sluit hij haar op en moet ze het bewijzen, anders zal ze worden gedood. Ze wordt geholpen door een klein tovermannetje, aan wie ze in ruil daarvoor haar eerstgeborene moet afstaan. Maar als ze daar spijt van krijgt, zegt het mannetje er pas van af te zien als ze zijn naam raadt.

Duyns: „Zo’n sprookje als Repelsteeltje is eigenlijk, net als elk sprookje trouwens, best suf om te vertellen: er zijn altijd drie plotwendingen, waarvan de laatste cruciaal is. In het geval van Repelsteeltje dus dat-ie zo stom is om zijn eigen naam in het bos te zingen. Maar zo’n familievoorstelling moet een beetje anarchistisch zijn. Dus zoeken we naar iets waarmee zo’n verhaal kan botsen. Door het aan de Greet Hofmans-affaire te koppelen, veroorzaken we voor onszelf als het ware een probleem: want hoe krijg je die twee verhalen in godsnaam bij elkaar?”

Lees ook: Pieter Kramer, Don Duyns en Dick van den Toorn over Snorro

Eerst wordt er maandenlang over het idee gebrainstormd door een creatief team, waarin Arjan Ederveen (Duyns: „want die heeft zo’n maffe geest”) en acteur Wart Kamps, van wie al vanaf het begin duidelijk was dat hij Repelsteeltje zou spelen.

Kramer: „Ik wilde al langer eens iets met de Greet Hofmans-affaire doen. Hoe meer ik me erin verdiepte, hoe meer onfatsoenlijke dingen er over die Bernhard kwamen bovendrijven. Toen we bedachten dat Bernhard natuurlijk per se dat goud van Repelsteeltje wil hebben, kwamen de twee verhalen samen.”

Schouderklopje

Uit die brainstormsessies rollen dan gaandeweg een aantal versies van het script waarover Duyns en Kramer, samen met dramaturg Dirkje Houtman, verder sparren. Duyns: „In sommige fases gebeurt dat bijna elke week. Met hele strenge feedback van Pieter. Het was dit keer zelfs zo pittig dat ik hem op een gegeven moment heb gemaild: ‘Beste Pieter, de schrijver heeft ook weleens behoefte aan een schouderklopje’. Ik begrijp het wel: hij voelt heel erg de verantwoordelijkheid om een goeie voorstelling te maken. Maar ik heb tijdens het schrijven ook vrijheid nodig. Als een tekst meteen goed moet zijn, blokkeer ik.”

Begin september is de eerste lezing van het script, in een repetitielokaal in Rotterdam. De acht acteurs zitten naast Kramer en Duyns aan lange tafels, met voor hun neus een nieuwe versie van de tekst en een voorlopige rolverdeling.

Ik ben op zoek naar een balans tussen lichtheid en drama

Pieter Kramer regisseur

Er is dan nog ongeveer een maand te gaan voordat de echte repetities beginnen, en er moet nog veel gebeuren. „We weten dat het veel te lang is”, zegt Kramer meteen bij aanvang. „Maar het moeilijke is dat je niet al het overbodige kan schrappen. Juist die onvoorspelbaarheid met al die zijstraatjes maakt zo’n voorstelling zo leuk.”

Kramer krijgt gelijk: de lezing duurt ruim drie uur, en dat is nog exclusief de liedjes, die voor een groot deel nog geschreven moeten worden. Tussendoor krijgen de spelers voor het eerst een maquette van het decor te zien en nemen de kostuumontwerpers alvast hun maten op.

Loyaliteit van het publiek

Na afloop van de tekstlezing is er een discussie over het einde: bij wie ligt nu uiteindelijk de loyaliteit van het publiek? Gun je het de rokkenjagende en geld verbrassende prins Bernhard dat koningin Juliana uiteindelijk bij hem blijft, zoals in deze versie van het script stond, of is het toch beter als zij kiest voor de naïeve, maar lieve varkenshoeder uit het sprookje van Repelsteeltje? De acteurs zijn verdeeld. Conclusie: voorlopig blijft het zo, maar misschien moet Bernhard wel wat meer gestraft worden voor zijn gedrag.

Eind oktober beginnen de dagelijkse repetities. Het hele stuk wordt ruwweg doorgenomen. Kramer inventariseert in grote lijnen wat goed is en waar nog problemen zitten.

Het is vooral veel uitproberen tijdens die eerste repetitiefase: verschillende mise-en-scenes en spelintenties testen, kijken waar je de scène kan rekken of juist moet versnellen. Niet alleen spelen op de grap, benadrukt Kramer regelmatig, anders slaat de voorstelling plat. Hij vindt het belangrijk dat het ook een zekere tragiek blijft houden. Kramer werkt geroutineerd. Bij problemen blijft hij niet te lang stilstaan: „Dat komt later helemaal goed”, of „Daar moet Don dan iets op verzinnen.”

Eind november, een maand voor de première, worden er zoals elk jaar twee openbare repetities georganiseerd: voor het eerst is er publiek welkom. Dat is een sleutelmoment. Kramer: „Pas dan merk je wanneer iets te kinderachtig of te serieus is. Het blijft bij dit genre moeilijk om de goede toon te vinden. Ik wil dat het meer is dan alleen onderbroekenlol, ik ben steeds op zoek naar een balans tussen lichtheid en drama.”

Terwijl ze de laatste hand leggen aan Repelsteeltje, zijn de brainstormsessies voor volgend jaar alweer in volle gang: Wolfgang het Wonderjong, zeer vrij naar Amadeus (1979) van Peter Shaffer, staat op de planning voor 2020. Het genre gaat ze nog niet vervelen. Door de quasi-onschuldige vorm die zo’n vrolijke familievoorstelling heeft, kun je je veel meer permitteren, volgens Kramer. „Juliana en Bernhard zeggen die kinderen natuurlijks niets; die zien gewoon een koning en een koningin. En vanuit die onschuld kun je Bernhard afschilderen als iemand die alleen maar om het geld met Juliana getrouwd was, en ondertussen voortdurend meisjes versierde. En daar is geen woord aan gelogen. Dat is toch de leukste vorm van tegen schenen schoppen.”