Rijksmuseum krijgt felbegeerde koninklijke beker in bruikleen

Meesterstuk Al sinds de opening van het Rijksmuseum aasde het museum op de gouden beker van de Utrechtse smid Paulus van Vianen. Rijks-directeur Taco Dibbits noemt hem de ‘Rembrandt’ van de edelsmeedkunst.

Paulus van Vianen, Bokaal met Diana en Actaeon, 1610, Praag.
Paulus van Vianen, Bokaal met Diana en Actaeon, 1610, Praag. Foto Rijksmuseum

De belangrijkste kunstschat van de Oranjes ooit, een beker van puur goud uit 1610, is in langdurig bruikleen gegeven aan het Rijksmuseum Amsterdam. Daar krijgt de beker vanaf woensdag een plek op de Eregalerij. Dat maakte het museum dinsdagochtend met een persbericht bekend.

De beker is een meesterstuk van de Utrechtse zilversmid Paulus van Vianen (1570-1613). Volgens Rijksmuseum-directeur Taco Dibbits is Van Vianen „voor de edelsmeedkunst wat Rembrandt is voor de schilderkunst”. Op de beker staan Griekse goden afgebeeld die een leidraad voor de liefde verbeelden.

Portret aan de binnenzijde van het deksel van de bokaal. Foto Rijksmuseum

Van Vianen maakte de beker in opdracht van de Hertog van Braunschweig-Lüneburg, die een prominente positie had aan het Praagse Keizerlijk hof. Door een huwelijk kwam de beker in 1623 in bezit van het Nederlandse koningshuis. Door het huwelijk van Marie van Oranje-Nassau, de jongste dochter van prins Frederik der Nederlanden, vererfde de beker in 1881 op de familie van haar man, Wilhelm Fürst zu Wied.

Al sinds de opening van het Rijksmuseum aasde het museum op de enig bekende beker van Van Vianen in particulier bezit. Omdat men niet verwachtte dat het topstuk ooit naar het museum zou komen, werd in 1881 een replica gemaakt van verguld koper. Vorig jaar bood de familie Von Wied de beker onverwacht aan het museum te koop aan. De nazaten van Dik Wessels, de vorig jaar overleden bouwtycoon, waren bereid om de beker te kopen en in langdurig bruikleen te geven aan het Rijksmuseum.

Paulus van Vianen was de belangrijkste telg uit een beroemde Utrechtse zilversmedenfamilie. Rembrandt bezat gipsen afgietsels van kunstwerken van zijn hand. Van Vianen trok in de zestiende eeuw de wijde wereld in en werkte in dienst van enkele Centraal-Europese hoven. Hij eindigde in Praag, aan het hof van de keizer van het Heilige Roomse Rijk, waar hij tot zijn dood in 1613 werkzaam was.