Recensie

Recensie Boeken

Julie Andrews (‘Mary Poppins’, ‘The Sound of Music’) over haar leven vol daadkracht

Autobiografie In haar nieuwe boek ‘Home Work’ kijkt actrice Julie Andrews terug op haar tijd in Hollywood. Ze laat niets heel van de illusie dat een showbizz-carrière met een stabiel gezinsleven te combineren valt.

Julie Andrews, circa 1965.
Julie Andrews, circa 1965. Foto Silver Screen Collection/ Getty Images)

Julie Andrews, de lieve precieze muziekjuf die miljoenen kinderen hun ‘Do-Re-Mi’ bijbracht, is haar stem kwijt. In 1997 moest ze haar hoofdrol in de musicalversie van een van haar succesfilms, Victor/Victoria, vroegtijdig afbreken voor een operatie aan haar stembanden: niets ernstigs, de artsen van het Mount Sinai Hospital in New York verzekerden haar een volledig herstel. Het liep anders. Na twee jaar moest Andrews onder ogen zien dat ze haar instrument, het „geschenk” waar ze haar carrière aan dankte, niet meer terug zou krijgen. Als jong meisje haalde ze moeiteloos vier octaven en zong ze in het Britse vaudeville-circuit de hypotheek van haar ouderlijk huis bij elkaar; nu raspt haar stem zelfs als ze praat.

Een ander was er misschien aan onderdoor gegaan, maar Julie Andrews (1935) rouwde in stilte en vond zichzelf opnieuw uit: als stemactrice in animatiefilms (Shrek 2, Despicable Me), kindercoach in een mierzoete Muppets-serie (Julie’s Greenroom, te zien op Netflix), en vooral als schrijver. Het liefst voor kinderen. Andrews’ eerste boek, Mandy, verscheen al in 1971 onder de naam ‘Julie Edwards’, als eerbetoon aan haar bemoedigende tweede echtgenoot, de Amerikaanse filmregisseur Blake Edwards (1922-2010). Sinds de jaren negentig publiceerde Andrews meer dan dertig vooral in de VS goed verkopende kinderboeken, tegenwoordig geschreven samen met Emma Walton Hamilton, haar dochter uit haar eerste huwelijk.

Daverende knal

Deze Emma is ook de drijvende kracht achter Andrews’ memoires, waarvan dit jaar het tweede deel verscheen onder de titel Home Work: My Hollywood Years. Het boek bestrijkt de jaren 1963-1986, en de titel dekt in meerdere opzichten de lading: Andrews verhaalt keurig chronologisch hoe ze na Londen en Broadway in Hollywood belandt, waar werk en haar nieuwe ‘thuis’ al gauw hopeloos vervlochten raken. Met Mary Poppins (1964) en The Sound of Music (1965) vestigt ze met een daverende knal haar naam als filmster, maar haar eerste huwelijk met ontwerper Tony Walton strandt, een aantal volgende filmprojecten flopt en grote nieuwe liefde Blake Edwards brengt behalve een onweerstaanbaar soort galgenhumor ook de nodige psychische ballast met zich mee.

Voor Andrews, ze blijft het in Home Work maar benadrukken, draaide het leven al gauw om ‘Blackie’ en de kinderen: Emma, stiefkinderen Jennifer en Geoffrey, en Amy en Joanna, twee in navolging van bevriend echtpaar André Previn en Mia Farrow uit Vietnam geadopteerde dochters.

Het boek laat weinig heel van de illusie dat een showbizz-carrière met een beetje stabiel gezinsleven te combineren valt. Steeds weer zorgen film- en tv-opnames, live optredens, publicitaire en humanitaire plichten voor gedwongen gereis of tijdelijke verhuizingen van het samengestelde gezin. Er is gedoe met kindermeisjes, ex-partners, verbouwingen, visa en een krakkemikkig houten jacht, veelzeggend Impulse geheten. Om aan de druk te ontsnappen kopen Andrews en Edwards een tweede huis in het Zwitserse Gstaad, waar hij aan zijn scripts werkt en zij geniet van haar anonimiteit: als een stel toeristen haar een keer per ongeluk hoort zingen tijdens een wandeling, schaamt ze zich kapot.

Naïef

Andrews’ labiele familie in Engeland blijft ook nu ze beroemd en vermogend is aan haar trekken. Haar drankzuchtige moeder Barbara is een permanente bron van zorg, terwijl halfbroer Christopher tijdens een educatief bedoeld verblijf bij zijn zus in Los Angeles aan de drugs raakt. Blake Edwards heeft dat eerder in de gaten dan Andrews: ondanks de ellende uit haar jonge jaren, uitgebreid beschreven in Home, het eerste deel van haar memoires, blijft ze wat de mensen om haar heen betreft soms ontstellend naïef. Bij ‘Blackie’, rugpatiënt en hypochonder, leert ze de signalen beter herkennen: is hij depressief en afwezig, dan speelt zijn verslaving aan pijnstillers weer op. Andrews houdt hem op het rechte pad en ondersteunt zijn filmprojecten, die vaak een rol voor haar bevatten: in 10 (1979) speelt ze de beledigde vriendin van Dudley Moore, in Hollywood-satire S.O.B. (1981) parodiëert ze zichzelf en ontbloot ze zelfs kort haar borsten.

Zere heupen

Edwards is in Home Work een verademing en een stoorzender tegelijk. Enerzijds redt hij het boek van een al te star-optimistische toon: Andrews stapt zo boordevol daadkracht door het leven dat zijn inzinkingen een welkome adempauze vormen. Anderzijds overschaduwt haar liefde voor hem soms het zelfbewustzijn over haar eigen merites. Alleen al met weetjes over de opnames van Mary Poppins en The Sound of Music had Andrews een boek kunnen vullen – er zijn maar weinig acteurs met twee zulke geliefde klassiekers op hun naam. Maar Andrews houdt het bescheiden. Ze beschrijft het filmwerk waar ze onvoorbereid inrolde vooral als technisch en fysiek uitdagend: de pruiken van Mary waren bloedheet, en haar heupen werden beurs van de stalen panelen waaraan ze hing om te kunnen ‘vliegen’.

Salzburg, waar de buitenopnamen van The Sound of Music plaatsvonden, bood zijn eigen uitdagingen. Regen, wind en modder zorgden voor lange uren wachten in de bergen, die Andrews vulde met zingen en gitaar oefenen. Ze bewonderde tegenspeler Christopher Plummer en zijn serieuze, gelaagde interpretatie van Captain Von Trapp; Andrews noemt hem „de lijm die ons bij elkaar hield” door zijn afkeer van de suikerzoete toon van het script. Op de allerlaatste draaidag krijgen ze samen de giechels tijdens hun serenade in het tuinhuisje, bij het zingen van ‘Something Good’. Geen van de betrokkenen wist of het zou werken, zo’n musical in de bioscoop – Andrews bewaakt die argeloosheid knap in haar boek.

Ze heeft kansen gekregen en ze heeft keihard gewerkt, meer kan ze er niet van maken. „Een amateur oefent totdat hij het kan,” leerde ze als meisje van haar zanglerares, „en een professional oefent tot het niet meer fout kan gaan.” Haar moeder was iets botter: „Waag het niet om te klagen.”