Analyse

Balkanlanden willen de EU laten zien dat ze niet alleen ruziën

Balkan Bij gebrek aan perspectief op EU-toetreding werken landen op de Balkan intensiever samen, in plaats van te dreigen met conflict.

De reden was tragisch, maar de respons hoopgevend. De aardbeving in Albanië die eind november 51 mensen het leven kostte, bracht een ongekend staaltje Balkansaamhorigheid teweeg. Niet alleen bood broederstaatje Kosovo duizenden dakloze Albanezen een onderkomen in huizen, tenten en hotels; Noord-Macedonië, Montenegro, en zelfs Servië en Griekenland stuurden reddingswerkers om overlevenden uit het puin te bevrijden.

Een van de eersten die de Albanese premier Edi Rama belden om medeleven te betuigen, was de Servische president Aleksandar Vucic. De twee spraken elkaar dit jaar regelmatig. In oktober kondigden zij samen met premier Zoran Zaev van Noord-Macedonië aan dat ze werken aan een ‘mini-Schengen’: de grenscontrole tussen hun landen moet verdwijnen om vrij verkeer van mensen en goederen – en buitenlandse investeringen – mogelijk te maken. Op een top daarover in november werden ook Montenegro, Bosnië en Herzegovina én Kosovo uitgenodigd. In april sloten de zes al een akkoord om roamingkosten af te schaffen op de Westelijke Balkan.

Het EU-lidmaatschap lijkt voor de regio en haar achttien miljoen inwoners onbereikbaar sinds Frankrijk in oktober, met steun van Nederland, het begin van toetredingsonderhandelingen met Albanië en Noord-Macedonië blokkeerde. Op de Europese top deze week komt het niet aan bod, al wordt er in de marge druk over overlegd. Maar juist het wankele toetredingsperspectief brengt de buurlanden, die elkaar van oudsher naar het leven staan, nader tot elkaar. Al moet een ‘mini-Schengen’ vooral niet worden gezien als substituut voor volwaardig EU-lidmaatschap, benadrukken de regeringsleiders. „Voor dat doel bestaat geen duurzaam alternatief”, aldus hun gezamenlijke verklaring.

De plannen zijn nog vaag, maar de nieuwe eendracht kan belangrijk zijn voor de ontwikkeling en stabiliteit van de Balkan, zegt Akri Çipa, een Albanese analist gespecialiseerd in conflictbemiddeling. „Voorlopig is het vooral een signaal om de EU te laten zien: wij zijn niet meer de ruziënde, fragiele staten uit de jaren negentig. Wij kunnen veranderen, samenwerken en vooruitdenken. In plaats van bij teleurstelling meteen te gaan dreigen met nieuwe conflicten, wordt een positieve boodschap afgegeven.” Economische samenwerking om toekomstige oorlogen te voorkomen was bijna zeventig jaar geleden het leitmotiv van de Europese Gemeenschap. Nu kopiëren de Balkanlanden dat „heel symbolisch”, zegt Çipa. „Ze vernoemen het zelfs naar Schengen.”

Doelpalen verschoven

Begin deze eeuw leek het een kwestie van enkele jaren voordat de EU meer dan dertig lidstaten zou tellen. Maar na toetreding van Slovenië en negen andere landen (in 2004), Roemenië en Bulgarije (2007) en Kroatië (in 2013) ging de deur langzaam dicht. Vooral in Nederland, Frankrijk en Denemarken is de animo voor welke uitbreiding dan ook nihil.

De Balkanlanden worstelen met corruptie, zwakke rechtsstaten, gebrekkige mediavrijheid en autoritaire leiders. Ze weten dat zij geen van allen morgen klaar zijn voor toetreding. Maar zij hebben zich tot nu toe aan alle eisen en spelregels van de EU gehouden, terwijl die steeds opnieuw de doelpalen verplaatst. De woede en frustratie over het Franse veto is groot. Vanuit de Europese Commissie, Griekenland en Oost-Europese lidstaten is vol verontwaardiging gereageerd. De regering van Zaev – de man die als zoenoffer aan Griekenland het woordje ‘Noord-’ toevoegde aan de naam van zijn land – is gevallen. Rama kwam in Albanië onder druk om ook op te stappen.

Albanië snijdt zo diep dat het geen rechter overhoudt

Het risico, zo zeggen Zaev en Rama, is dat hun kiezers bij volgende verkiezingen partijen in het zadel helpen die minder eurofiel en hervormingsgezind zijn. Die kunnen de geopolitieke balans verstoren door dichter tegen Rusland, China en Turkije aan te kruipen en etnische spanningen binnen en tussen landen doen oplopen. Zonder wortel kan de EU ook de stok nauwelijks gebruiken om slepende, ingewikkelde kwesties op te lossen. Het feit dat Noord-Macedonië niet beloond wordt voor de naamsverandering, zal in Servië het al beperkte enthousiasme voor de erkenning van Kosovo doen slinken. Kosovo wil op zijn beurt niet meedoen aan de vrijhandelszone voordat die erkenning er is.

Lees ook Rusland aast op westelijke Balkan

De angst dat de Balkan zich volledig laat uitleveren aan andere grootmachten lijkt overdreven. Chinese leningen en investeringen in infrastructuur worden verwelkomd. Maar dat gebeurt ook in EU-landen als Tsjechië, Italië en Griekenland. Turkije bemoeit zich alleen – en met beperkt succes – met de moslims in de regio. Rusland heeft meer aspiraties om de regio te ontregelen, maar diens aanbod aan Albanië en Macedonië om bij de Euraziatische Economische Unie te komen, werd direct afgewezen.

De hoop dat de toekomst van de Balkan uiteindelijk toch in de EU zal liggen, blijft levend. De landen zullen geduldig – en gezamenlijk – moeten afwachten tot de EU weet welke kant het op wil en welke plek zij daarin hebben. Zoals de Albanese premier Rama relativerend tegen de Financial Times zei: „Europa zit in een periode waarin [de situatie] zal verslechteren voor deze zal verbeteren. Wij zijn maar nevenschade.”