Opinie

Stotterende schrijvers

Frits Abrahams

‘Ik had puisten en ik stotterde.” Zo begint het beste essay dat ik over stotteren ken. Het is van August Willemsen (1936 – 2007), vertaler en schrijver, het heet ‘Het hoge woord’ en het staat in zijn gelijknamige essaybundel uit 1994.

Ik had het geluk die bundel antiquarisch te kunnen kopen met deze opdracht op de titelpagina: „Voor Jaap en Lisa, lange tijd niet gesproken, nu het hoogste woord. Ben ik niet sprekend die pauw? Met innige vriendschap, Guus. A’dam, 1.6.94.” Willemsen verwijst naar het omslag met de tekening van een trotse pauw, die hij als 12-jarige maakte.

Als Willemsen zelf een trots man is geweest, moet hij des te zwaarder hebben geleden onder zijn handicap, het stotteren. Misschien dat hij er ook daarom zo indringend over kon schrijven. Het is geen wonder dat de naam van Willemsen vaak valt in het jongste en voorlopig laatste nummer van het tijdschrift De God van Nederland, dat aan het stotteren gewijd is. Het bevat ook een interview met Willemsen, gefingeerd, maar gebaseerd op interviews die hij gegeven heeft.

Ik ken over het onderwerp stotteren maar één literaire tekst die bij het essay van Willemsen in de buurt komt: ‘Getting the Words Out’ uit Self-Consciousness, de memoires van John Updike. Willemsen kende die in 1989 verschenen tekst van Updike, hij verwijst er enkele malen naar in zijn autobiografische boeken. Ik vind Willemsens essay beter omdat hij op dit punt dieper in zichzelf durft te graven dan Updike.

Er zijn overeenkomsten tussen hun bevindingen, maar ook verschillen. Waarom gaat iemand stotteren? Beiden verwijzen naar hun jeugd, maar Willemsen is concreter. Op 6-jarige leeftijd begon hij een stotterend buurjongetje na te doen. Waarom?

„Als klein kind kon ik (aardige paradox) heel vroeg heel goed spreken, en thuis werd dan ook van mij verwacht dat ik het knapste kind van de straat zou worden. De malle manier van praten van Jantje Kruiswijk moet mij een mooie manier hebben geleken om onder de druk van die hooggestemde verwachtingen uit te komen.”

Het stotteren werd een gewoonte „met eigen wetten, een eigen leven”. Tegen interviewer Ischa Meijer voegde hij eraan toe dat het een mogelijkheid bood „om eens terug te trappen naar mijn moeder”; zij had hem „allesoverheersende aandacht” gegeven. De gewoonte heeft bij Willemsen ‘een bedoeling’, de stotteraar kan er iets mee bereiken en hij wordt beloond met ‘consideratie’. Het stotteren werd een „truc om onder verantwoordelijkheid en prestatiedwang uit te komen”.

Updike begon wat later te stotteren, op high school, en ook hij heeft een dominante moeder die te veel van haar begaafde kind verwacht. Updike gelooft ook dat stotteren „ontwapenend” kan zijn, „en misschien onbewust zo bedoeld is”, maar hij werkt dat aspect minder vergaand uit dan Willemsen, die het stotteren zelfs een vorm van aanstellerij noemt. Ik neem aan dat Willemsen bedoelde: het begint als aanstellerij en het eindigt als een verslaving; hij vergelijkt het ook met zijn latere drankverslaving.

Willemsen en Updike konden het stotteren op den duur goed onderdrukken, maar ze bezweken op emotionele momenten. Updike stotterde het hevigst tegen zijn eigen kinderen, na zijn echtscheiding. „Plotseling was ik weer bang om verkeerd begrepen te worden.”