Stamgasten tussen de schimmen

Eventjes terug vanuit de VS, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: de stamgasten die haar houvast bieden in het veranderende Amsterdam.
Illustratie Eliane Gerrits

De eerste foto van een mens werd gemaakt in 1838. Louis Daguerre richtte zijn camera op de Boulevard du Temple in Parijs. De brede avenue is helemaal leeg. Op één man na, die rechtop staat linksonder in beeld, zijn voet rustend op een verhoging.

In werkelijkheid was het een van de drukste straten van de stad, vol theaters en cafés. Er werden zoveel moorden gepleegd dat het de Boulevard du Crime werd genoemd. Maar, omdat Daguerre zijn primitieve camera tien minuten moest openzetten voor de belichting, werden alle andere Parijzenaren gereduceerd tot onzichtbare schimmen. Alleen de ene man bleef over. Hij liet zijn schoenen poetsen. Het enige vaste punt in een zee van mensen.

Ik heb ook mijn ijkpunten als ik weer even in Amsterdam ben. In een stad die ieder jaar drukker en anders wordt, bieden ze me houvast. Ik kan ze uittekenen tussen de bewegende schimmen.

Zo zit aan de leestafel van mijn lunchrestaurant altijd meneer X. Een gedistingeerde man op leeftijd, met keurig geknipt grijs haar en dito snor. Immer gekleed in een trui met jasje en sjaal. Leesbril op zijn neus, een krant voor hem uitgespreid. Ga niet op zijn plek zitten en pak vooral niet de volgende krant die hij net van plan is te gaan lezen. Dan krijg je een boze blik.

In de bar van mijn hotel zit, even voorspelbaar, mevrouw Y. Een fragiele dame in een sleets mantelpak. Haar grijze haar verwaaid, alsof ze onderweg door een windvlaag is opgetild. Er staat steevast een glas witte wijn op het tafeltje voor haar, waar ze aan nipt alsof het champagne is en de kleine bar een balzaal. Na een poos raakt ze in de war. Heeft ze nu wel of niet betaald? Alleen de bediening van het hotel weet haar gerust te stellen voor de paniek toeslaat.

En in mijn stamkroeg van weleer zit altijd mevrouw Z, de voormalige oppas van ons buurmeisje, op haar vaste plek voor het raam. Een goedlachse vrouw, met kortgeknipt wit haar. Een glaasje binnen handbereik op de plakkerige houten tafel. Het kleine buurmeisje is allang een volwassen studente, maar ze vertelt me iedere keer vol trots hoe goed het met haar gaat.

Ik ben bezorgd als ze niet op hun vertrouwde plek zitten, mijn stamgasten. Meestal zijn ze dan even naar het toilet. De plekken bestaan niet zonder hen. En zij niet zonder die plekken. Uitbaters, obers en portiers raken nooit geïrriteerd over hun eigenaardigheden. „We letten goed op hem, hoor”, zegt de ober van het restaurant. „We houden in de gaten dat ze bij haar vertrek niet valt”, zegt de nachtportier van het hotel.

Voordat ik deze column instuur, loop ik nog even langs hen. Ze zitten er allemaal. Gelukkig maar. Want zij zijn de schildwachten die mijn stad bewaken, mijn lieux de mémoire, vol dierbare herinneringen. Omdat zij er zitten, iedere dag, even voorspelbaar als de zon die opkomt, kan ik er weer een tijdje niet zijn.

Reacties naar pdejong@ias.edu