De nepagent hield het niet bij praatjes

Wie: Stefan (34)

Kwestie: Zich voordoen als agent, diefstal Waar: Rechtbank Amsterdam

De Zitting

Stefan (34) is er nogal goed in; doen alsof hij agent is. Hij kreeg het bijvoorbeeld voor elkaar om een winkel binnen te lopen en er na een gesprekje weg te wandelen met de inhoud van de kassa en de beveiligingscamera onder zijn arm. Hij had een neppolitiebadge laten zien en een verhaal opgehangen over een klant die mogelijk vals geld had gebruikt bij een aankoop. Of hij het geld even mee kon nemen om te testen op echtheid en vingerafdrukken. Hij deed het in ziplockzakjes en schreef op een etiket om hoeveel geld het ging. En, oh ja, of hij ook de beveiligingscamera en beelden mee kon nemen, om de transactie aan de klant te kunnen koppelen. Bij sommige gedupeerden overheerst schaamte omdat ze er met open ogen in zijn getuind. Stefan sloeg in mei en juni onder meer toe in een massagesalon, een sapbar en een croissanterie. Omdat Stefan eerder veroordeeld is voor hetzelfde feit, kwam de politie snel bij hem uit toen de ondernemers argwaan kregen.

De verdachte is klein, heeft kort, donkerblond haar en een Brits accent dat gedurende de zitting steeds hoorbaarder wordt. Hij woont al enige tijd in Engeland en was tijdelijk in Nederland toen hij de ondernemers oplichtte. Hij stelt zich coöperatief op en doet zijn best zich te presenteren als goudeerlijke kruimeldief, die een bepaalde beroepseer heeft. Hij bekent de oplichting maar ontkent dat hij een vrouw geduwd heeft, zoals zij heeft verklaard. Hij heeft zich „hoogstens losgetrokken”. Hij gebruikt namelijk nooit geweld, zegt hij stellig. Als een ondernemer wantrouwend op zijn verhaal reageerde, vertrok hij.

De vraag is of hij de kleine, geweld schuwende oplichter is die hij beweert te zijn. Naast vier gevallen van oplichting en twee pogingen daartoe, wordt hij verdacht van een woningoverval, waarbij de bewoner geboeid werd achtergelaten. De officier van justitie zegt dat hij alleen daarvoor al drie jaar kan eisen.

De bewoner zit in de zaal. Hij lijkt ongeveer van Stefans leeftijd. Een accountant, strak in het pak. Stefan geeft toe dat hij als nepagent zijn woning in is gegaan. Maar de bewoner zat volgens Steven in het complot. Het moest een ripdeal lijken van twee pakketten drugs die in het huis zouden zijn. Een kennis uit de gevangenis had Stefan daarvoor benaderd, zegt hij. In de gevangenis is wel vaker gevraagd of hij zijn ‘talent’ in wilde zetten. „Wat jij kan, is echt uniek, man”, zeiden ze volgens de verdachte.

Meestal doet hij „dit soort dingen niet”, zegt Stefan. Want het is een crimineel milieu, „waar ik me normaal niet in meng”. Hij deed het alleen omdat hem door de opdrachtgever beloofd zou zijn dat er geen aangifte gedaan zou worden. Maar dat deed de bewoner wel. Van diefstal van een Rolex en cash. Volgens de officier van justitie zijn er geen aanwijzingen dat de bewoner in het complot zat. „Bovendien had hij letsel aan zijn handen en heeft hij direct de politie gebeld.”

In zijn requisitoir zegt de officier dat het „misschien nog wel grappig lijkt” als iemand zich voordoet als agent. Maar Stefan heeft het „vertrouwen beschaamd” van alle mensen die hem geloofden. En maakt het werk van de politie moeilijker. Hij eist 6 jaar celstraf en de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf die Stefan nog boven het hoofd hing; een maand.

De advocaat van de verdachte vindt het „jammer” dat de officier in zijn „disproportionele eis” geen rekening lijkt te houden met de „open proceshouding” van Stefan en het feit dat hij, volgens haar, geen geweld heeft gebruikt. En passant ontkracht ze het beeld van Stefan als kruimeldief als ze vertelt dat hij in Nederland was omdat justitie hem heeft gevraagd te getuigen in „een grote zaak”. Er is zelfs een deal met hem gesloten.

De rechtbank veroordeelt Stefan tot drie jaar gevangenisstraf. De oplichtingen en pogingen daartoe zijn bewezen, evenals de woningoverval met geweld. De advocaat krijgt gelijk met haar bewering dat de eis disproportioneel was. De rechtbank schrijft dat de straffen die doorgaans voor vergelijkbare feiten worden opgelegd, lager zijn dan de eis van de officier van justitie.