Opinie

De muziek, teder en groot als het noodlot

Marjoleine de Vos

Wagners Die Walküre is een verhaal aangekleed met allerhande mythologische motieven, met dwergen en reuzen en vervloekt goud, met een leger van dode helden, een zwaard dat wonderen doet, een schuldige speer – een enorme mythische hutsekluts van oud-Noorse, Germaanse en Wagneriaanse verhalen waarbij je als vanzelf blonde vlechten onder helmen en berenvellen voor je ziet, of anders het peperdure door artistieke en financiële ruzies omgeven Bayreuth. Nu ja, hoe dan ook, het is niet moeilijk om er een afkeer van te hebben.

Toch gegaan, naar de laatste reeks opvoeringen in de regie van Pierre Audi, met het uiterst eenvoudige decor, de Walküren als zwarte vleermuizen met zilveren vleugels en verder veel dikke mannen met machtige stemmen en vrouwen die met rinkelend gezang het enorme orkest weten te overstemmen.

Je verveelt je heus niet, zo’n avond, al is het af en toe best vervelend als vader Wotan uitvoerig uitlegt hoe het allemaal zit met het goud en de ring en de dwerg en de macht, jajaja. Maar als de Walküren juichend en zingend over het toneel stormen, het krachtige geluid van al die stemmen bij elkaar, de golven van het orkest waarover ze rijden – geweldig.

Kaartjes zijn duur. Daardoor is opera ook iets elitairs en nuffigs geworden, iets voor rijke mensen die het ‘heerlijk!’ vinden om erheen te gaan terwijl de gewone mens liever iets anders doet maar via de belasting wel bijdraagt aan de subsidie van dit alles. Zo moeten we het zien toch?

Op het toneel vervloekt een woedend donderende en razende vader Wotan zijn dochter Brünnhilde, die deed wat ze dacht wat hij wilde, niet wat hij haar zei te doen. Haar zussen die hem eerst nog probeerden te vermurwen zijn hem angstig gesmeerd. Het wordt stiller. En dan zingt zij, de oogappel van haar vader: „Was het zó erg wat ik deed?”

Op dat moment maakt de grootse godenwereld plaats voor iets anders. Iets dat iederéén aangaat. Vader vindt het inderdaad zo erg. Zijn meest geliefde dochter, die hij vertrouwde, die hij liefhad als zichzelf – en nu dit verraad. Het is hem oneindig pijnlijk en dus straft hij zo hard hij kan.

De muziek is intussen rustiger geworden. We horen een wiegend motief steeds terugkeren, de kleine soldaat van haar vader kan niet anders dan haar straf ondergaan, ze heeft immers tegen haar vaders bevel gekozen, vóór datgene wat ze belangrijker vond: liefhebben. Ze wil alleen niet aan de eerste de beste eerloze lamzak uitgeleverd worden zoals haar vader dreigt te doen.

Dat zegt hij haar toe en hij zingt oneindig bedroefd: „Vaarwel jij koen en heerlijk kind! Vaarwel! Vaarwel! Vaarwel!”

Niets smartelijkers dan twee die ongewild van elkaar moeten scheiden, omdat het niet anders kan. De muziek begrijpt dat, teder en groot als het noodlot golfden de klanken de zaal in. Déze gevoelens kent iedereen: tegen je zelf in te moeten handelen, tegen de wil van de meest geliefde in, een groot en onontkoombaar verraad.

Tegelijkertijd zijn het gevoelens die je juist niet kent, dat wil zeggen: niet doorgrondt, ze woelen diep en gecompliceerd ergens in ons om. Anders dan door muziek en mythologie, desnoods malle, kunnen ze niet aan de oppervlakte gebracht worden. Daar blijven ze ongrijpbaar, maar worden verklankt tot een overweldigende ervaring.

Betraand en verpletterd de zaal verlaten. En me voor de zoveelste keer afgevraagd hoe het kan dat zo’n avond alleen voor de rijkeren is weggelegd. Dit treft toch elk gevoelig mens. „Al mag mijn groet jou niet meer groeten (...) al moet ik verliezen die mij zo lief is…”

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.