Reportage

‘Wij hebben ons hele leven alleen maar angst en terreur gekend’

De meeste demonstranten in Bagdad waren klein toen de Amerikanen in 2003 binnenvielen. „Als wij willen dat Irak verandert dan zullen we het zelf moeten doen.”

Atiaf, (24) is laborante in opleiding en helpt nu met gewonden te verzorgen op de Ahrarbrug. „Ik heb mensen voor mijn ogen zien doodgaan.”
Atiaf, (24) is laborante in opleiding en helpt nu met gewonden te verzorgen op de Ahrarbrug. „Ik heb mensen voor mijn ogen zien doodgaan.” Foto Mootaz Sami Ahmad

Atiaf (24), laborante in opleiding

Overal in het Iraakse straatprotest zijn vrouwen manifest aanwezig, zelfs hier aan de frontlijn op de Al-Ahrarbrug. Het zijn dokters, verpleegsters of studenten die een medische opleiding volgen. Ze zijn herkenbaar aan hun witte jassen en groene mondmaskers.

„Ik zit in het derde jaar van mijn opleiding als laborant. Maar ik heb hier al veel meer geleerd dan in de schoolbanken”, zegt Atiaf. „Ik heb kogelwonden verzorgd, verstikking door het traangas. Ik heb mensen voor mijn ogen zien doodgaan. Jongens die direct geraakt zijn door traangasgranaten.”

Het traangas dat in Bagdad en elders wordt ingezet, is anders dan bij de meeste betogingen. Volgens mensenrechtenorganisaties zijn het militaire granaten die een schedel verbrijzelen wanneer zij direct op een persoon worden afgevuurd.

Atiaf is zelf in de rug geraakt door een granaat die afketste tegen de brugleuning. Maar projectielen zijn niet het enige gevaar voor de vrouwen aan het front. „Vrouwen worden soms gekidnapt door de politie en omgeruild voor jongens.”

Atiaf springt op. Vanaf de frontlijn wordt een gewonde aangevoerd. Zij rent ernaar toe om de eerste zorg toe te dienen. Minuten later is hij op weg naar het ziekenhuis in een tuktuk.

„Mijn ouders weten niet dat ik hier ben”, zegt ze even later. „Ik kom hier overdag helpen maar ’s avonds ga ik terug naar huis. In het begin was ik hier gewoon als betoger. Maar toen het doden begon, wilde ik iets doen.”

„Voor deze revolutie was ik zoals al mijn vrienden plannen aan het maken om naar het buitenland te vertrekken. Maar nu heb ik het gevoel dat mijn land mij nodig heeft. Dit is een revolutie van de jongeren, zeg maar de post-2003-generatie. Wij hebben ons hele leven alleen maar angst en terreur gekend. Maar als wij willen dat Irak verandert dan zullen wij het moeten doen.”

Wat Atiaf en de anderen willen is dat alle politici die na 2003 aan de macht zijn gekomen uit beeld verdwijnen. Dat is minder naïef dan het klinkt. Ook Moqtada al-Sadr, de sjiitische geestelijk leider die het grootste blok in het parlement aanvoert, eist nieuwe verkiezingen waarbij geen enkele bestaande partij of politicus zich kandidaat mag stellen. Een reset als het ware.

Atiaf: „Wij blijven op straat tot alle oude gezichten zijn verdwenen, vooral de religieuze. Ik ben zelf sjiitisch maar ik zie nu duidelijker dan ooit hoe zij de religie hebben misbruikt voor hun eigen politieke doeleinden. Wij willen opnieuw beginnen met onafhankelijke politici die weten hoe het volk moet afzien.”

Nour (17). „Mijn ouders weten niet dat ik hier ben, zij denken dat ik naar school ga.”

Foto Mootaz Sami Ahmad

Nour (17), scholier en kunstenares

„Het is het portret van een jonge Iraakse vrouw in de VS die elke dag voor het Witte Huis betoogt om de revolutie hier te steunen”, vertelt Nour (17), terwijl zij de laatste hand legt aan een muurschildering in het ‘Turkse restaurantgebouw’ – genoemd naar het restaurant dat ooit op de bovenste, achttiende verdieping zat.

Het gebouw staat leeg sinds het in 1991 en opnieuw in 2003 werd gebombardeerd door de Amerikanen. Sinds 25 oktober, de dag waarop het straatprotest na een korte pauze opnieuw in alle hevigheid losbarstte, is het ingenomen door jongeren die, zoals Nour, baby’s of kinderen waren toen de Verenigde Staten in 2003 het regime van Saddam Hussein omverwierpen.

Nour oogt als een lief meisje van kleine gestalte maar ze is ook heel vurig. Ze tikt verwoed op haar smartphone om de bedreigingen te laten zien die ze op haar Instagram heeft gekregen. „Als ik jou tegenkom op het Tahrirplein ga ik je een lesje leren”, heeft iemand geschreven.

Dat was onderaan een foto van een muurschildering die Nour heeft gemaakt in de tunnel onder het Tahrirplein waarvan de wanden een openluchtgalerij zijn geworden. Nours schildering klaagde de verwevenheid aan tussen religie en de politieke partijen, een strijdpunt van de Iraakse opstand.

„Mijn leven is hier niet veilig”, zegt Nour. „Ik word achternagezeten op weg naar huis. Ik kreeg een mes tegen mijn rug gezet. Mijn ouders weten niet dat ik hier ben – zij denken dat ik naar school ga. Maar het is zo belangrijk voor mij om hier te zijn op dit moment.”

Tevoren was Nour vooral bezig met haar eigen artistieke ontplooiing, nu heeft ze een missie. „Met deze revolutie willen wij aan de wereld tonen hoe moeilijk onze levens zijn en tegelijk eisen wij verandering. Wij worden bestuurd door corrupte religieuze politici. Kijk naar Turkije: dat is een modern land terwijl het geen olie heeft. Wij zijn een rijk land maar Irak ziet eruit als een ontwikkelingsland.”

Taef (26), tuktuk-chauffeur. „Voor de revolutie haatten de mensen ons omwille van onze rijstijl. Nu zijn wij helden.”

Foto Mootaz Sami Ahmad

Taef (26), tuktuk-chauffeur

Taef voert ons met zijn tuktuk van de frontlinie in de Rasheedstraat naar het Tahrirplein. Zo’n rit gaat met een rotvaart, luid claxonnerend. Een paar keer wordt een frontale botsing met een andere tuktuk nipt vermeden. Maar wat opvalt: de mensen die uit de weg moeten springen, maken zich niet boos op de tuktuk-chauffeurs. Dat was ooit wel anders, vertelt Taef.

„Voor de revolutie werden wij tuktuk-chauffeurs gehaat door de mensen. Omwille van onze rijstijl. Nu is dat helemaal omgeslagen. De mensen tonen respect voor ons; ze zien ons als helden nu.”

De reden is dat de tuktuk-chauffeurs zich bij het begin van het straatprotest op 1 oktober hebben omgeschoold tot ambulance-chauffeurs. De driewielers bleken ideaal om slachtoffers af te voeren van de chaotische frontlijn naar de ziekenhuizen. Gewonden, en doden.

„Ik heb persoonlijk negen dode betogers afgevoerd met mijn tuktuk”, zegt Taef, inclusief een gewonde die hij de dag tevoren heeft vervoerd maar die bij aankomst in het ziekenhuis is overleden. „Ik heb mijn tuktuk ‘de lijkkist’ gedoopt. Het aantal gewonden dat ik heb afgevoerd, is te veel om te tellen.”

Als de tuktuk het icoon is geworden van de revolutie is dat niet alleen door hun rol aan de frontlinie. De tuktuk wordt ook gezien als het symbool van de ongelijkheid in Irak. „Tuktuks zijn iets voor arme landen.”

Hoewel je meteen merkt dat Taef intelligent is, heeft hij de school nooit afgemaakt. Dat zat zo. „In 2007 is mijn moeder vermoord. Zij zat in een minibusje dat werd tegengehouden door een sjiitische militie. Er zat één soennitische vrouw in dat busje. Hebben ze daarom alle passagiers vermoord? We hebben het nooit geweten.”

Lees ook: Opstandige Irakezen krijgen hun nieuws nu via de Tuktuk

Dat was op het hoogtepunt van de sektarische oorlog in Irak, die bewust was uitgelokt door Al Qaeda in Irak, de voorloper van IS. De gruwelijkedood van zijn moeder kwam bij Taef hard aan. „Ik ben van school afgegaan, en toen ik opnieuw naar school kon gaan was ik te oud.”

Nu rijdt Taef sinds vier jaar met de tuktuk. Rijk zal hij er niet van worden. Tuktuks werden pas een jaar of vier geleden in Irak geïntroduceerd. Tevoren werd je gearresteerd en je tuktuk in beslag genomen als je ermee in het centrum van de stad kwam. „Nu maakt de politie de weg vrij voor ons als we gewonden afvoeren.” Hij bedoelt de gewone politie, niet de oproerpolitie die op de betogers schiet. Taef heeft sinds het begin van het straatprotest niet meer thuis geslapen uit angst gearresteerd te worden.

Tot 1 oktober was Taef lid van de Al-Hashd ash-Shaabi, de volksmilities die in 2014 werden opgericht om Bagdad te verdedigen tegen IS. De Hashd waren oorspronkelijk sjiitisch maar zij werden gaandeweg uitgebreid met andere bevolkingsgroepen en zijn sindsdien opgenomen in de Iraakse strijdkrachten. Maar veel componenten van de Hashd staan onder sterke Iraanse invloed. Het zijn die Hashd die vorige week donderdag met zijn duizenden naar het Tahrirplein zijn afgezakt om de betogers daar te intimideren. En die wellicht vrijdag het vuur hebben geopend.

„Ik heb met de Hashd gevochten tegen IS, ik vond dat toen mijn patriottische plicht. Maar ik wil niet terug naar de Hashd want zij zijn onderdeel geworden van het sektarisch systeem waartegen deze revolutie gericht is.”

Hij is optimistisch. „Zodra wij de huidige politici hebben verdreven, worden wij een nieuw land.” Naïef is hij niet: hij weet dat dat niet zomaar gebeurt. „Maar de mensen hebben nu heel luid gezegd wat zij van de politici vinden. De boodschap is: als jullie nu niet voor de mensen gaan werken, dan zullen jullie nog veel erger meemaken.”

Hoessein (19) is dag in dag uit op de frontlijn. Hij is driemaal gewond geraakt.

Foto Mootaz Sami Ahmad

Hoessein (19), frontlijnstrijder

Het Hafiz Alqadhiplein in het historisch centrum van Bagdad oogt als een oorlogszone. Hier heb je twee frontlinies waar betogers en oproerpolitie oog in oog staan: de Rasheedstraat, en de Al-Ahrarbrug die naar de Groene Zone voert, het gebied waar de meeste ministeries en ambassades zich bevinden.

Het is vroeg op de ochtend en in afwachting van het hervatten van de gevechten is een groepje jongeren een beetje aan het voetballen onderaan de betonblokken die hen scheiden van de oproerpolitie. Een van hen is Hoessein, die hier al sinds 1 oktober bijna elke dag is.

„Ik ga alleen kort naar huis wanneer ik gewond raak”, vertelt Hoessein terwijl hij zijn broek uittrekt om een schotwond te tonen. „Die is van 1 oktober. Toen werd er met scherp geschoten, nu is het vooral traangas.”

Hij trekt zijn T-shirt uit om de allergische reactie te tonen over zijn hele bovenlichaam op dat traangas. „Traangas wordt hier niet gebruikt om de menigte uiteen te jagen; ze schieten er heel gericht op de mensen mee.”

Hij zet zijn masker af om de brandwonden op zijn gezicht en in zijn hals te tonen. „Een molotovcocktail.”

Hoesseins moeder weet heel goed dat hij hier is en zij vindt dat goed. „Mijn moeder komt aan de kost met sigaretten verkopen op straat. Zij geeft er mij soms mee om hier uit te delen.”

Hoessein is een van die jongeren die zich in de revolutie hebben vastgebeten omdat zij werkelijk niets te verliezen hebben. Toen Hoesseins vader overleed zonder een pensioen achter te laten kon het gezin alleen overleven dankzij de liefdadigheid van de buren. Hij en zijn broers kunnen niet lezen of schrijven.

Zoals Taef heeft ook Hoessein met al-Hashd ash-Shaabi gevochten tegen IS. „Ik heb vier jaar gevochten zonder salaris. Ik heb zelfs geld moeten lenen om dat te doen. Ik vond het mijn plicht.”

Maar veel jongeren zoals Hoessein voelden zich bekocht toen IS verslagen was. Bij thuiskomst was hun situatie even uitzichtloos als tevoren. „Ze beloven ons altijd van alles maar die beloften komen nooit uit.”

Het masker dat hij draagt, ter bescherming en om niet herkend te worden, is er eentje dat de Iraakse special forces soms droegen in de strijd tegen IS. „Het is symbolisch: wij zijn nu de special forces van de revolutie.”

Maar Hoessein wil ook onderstrepen dat het protest in de eerste plaats vredelievend is. „Wij organiseren ons, wij maken de straten schoon. Zij zijn het die geweld gebruiken tegen ons.” Hij weet dat veel politiemannen aan de overzijde daar met tegenzin staan. „Ik heb met hen gesproken. Zij zeiden: wij willen echt niet op jullie schieten maar er staan andere troepen achter ons die ons dwingen.” Hij toont zijn digitale polshorloge. „Van een politieman gekregen.”

Gert van Langendonck maakte deze beelden in het epicentrum van de protesten: het ‘Turkse restaurantgebouw’:

Dit artikel is op 8 december aangepast met een nieuw doden- en gewondental.