Recensie

Recensie Boeken

Zet eerst zelf een masker op, en help dan pas een ander

Asha Karami Deze debutant stelt haar grappige gedichten samen uit de stemmen die zij opvangt.

Markt in de Taiwanese hoofdstad Taipei.
Markt in de Taiwanese hoofdstad Taipei. Foto Getty Images

Asha Karami verdeelde de gedichten in Godface over vijf reeksen, elk vernoemd naar een zone in of rondom de Taiwanese hoofdstad Taipei. In het dichtbevolkte gebied heeft Karami een perfect beeld gevonden voor wat ze beoogt in haar debuutbundel, waarin het wemelt van de personages en voorbijgangers. De dichter registreert en observeert hen, treedt ze tegemoet, herkent zich in hen en kruipt soms zelfs in hun huid.

Neem het gedicht ‘alle artiesten verzinnen ontmoetingen met kankerpatiënten’. Gelukkig is het schandaal rondom de zanger Dotan niet onopgemerkt gebleven, dacht ik toen ik het las. Geheel volgens het maakbaarheidsideaal dat onze westerse cultuur in zijn greep houdt, opent het gedicht: ‘een goede start van de week / met een freshe frisse quote om anderen te inspireren’. Vervolgens dramatisch: ‘ik wil liefde ik wil geen geld maar eerlijk / meisjes zijn duur en susie is vast een sociopaat’. Geen idee wie Susie is, haar verschijning is van korte duur. En dan komt Dotan aan bod, ook al noemt Karami hem niet bij naam. Er is niet alleen verdiend over de rug van die patiënten, ook de publieke spijtbetuiging gaat over diezelfde rug: ‘indien ontmaskerd excuses maken in een standaardpatroon / over de rug van een al dan niet bestaand ziek kind’. Deze perverse laag legt ze bloot en wordt nog tastbaarder aan het slot van het gedicht, wanneer de dichter zelf ook niet aan een bekentenis ontkomt:

nee. ik vond het niet leuk om geslagen te worden. ik werkte zo hard als ik kon.

wat kon ik doen. niet langer omhullen. vele dagen. ik wist dat hij zou komen na

het avondeten. in de witte volkskeuken. ik zoek hem.

Maar is het de dichter die hier spreekt? Dankzij de verscheidenheid aan personages in Godface wordt de ik-persoon er ook een die van alles in de mond gelegd kan worden. Zo zuipt de ik zich in ‘utilitaire lafheid’ kapot en besluit in een opwelling naar Amsterdam te verhuizen. In het daaropvolgende gedicht heeft dan weer een ontmoeting met de moeder plaats in een Holland Casino-filiaal: ‘ladies night gratis drankje / vind ik haar bij roulette / extreem gedehydreerd’.

Het is erg verleidelijk om in dat personage de dichter zelf te zien. Daartoe nodigt de ontwapenende, grappige en intieme anekdotiek uit, vooral wanneer Karami suggereert dat het haar eigen anekdotiek is.

Arts in Amsterdam

In het slotgedicht van de vierde afdeling vertelt de dichter in briefjes aan haar vader twaalfmaal iets over zichzelf. Eerst komt een bezoek aan een oom aan bod, hoe ze haar nog kenden, ‘maar ik was bekwamer in het introduceren van mezelf. tegenwoordig ben / ik arts in amsterdam. ik hoop van je te horen wat je belangrijk vindt. liefs, a’. De details, feitelijk als ze zijn, staan niet vast: zo bewegen we van een geboorte vierendertig jaar geleden naar een geboorte op vierendertigjarige leeftijd. Het verhaal desintegreert met elke hervertelling. Na drie keer wordt de afscheidsgroet en initiaal achterwege gelaten. Uiteindelijk is de briefvorm helemaal onttakeld en vormen slechts een paar steekwoorden de enige contouren: ‘ja, nu. in bloei. heen. // verder: roerloos levend. seks! eens. gierig. gemis. revolutie’.

Karami stelt haar intrigerende gedichten samen uit de stemmen die zij opvangt. De ik-persoon is niet een centrale verteller, maar een filter. Zij schakelt na elk gedicht, in sommige gedichten zelfs na elke strofe, naar een volgend gezichtspunt, misschien wel naar een ander gezicht. Ze schrijft: ‘ergens anders was ik een ander’. Misschien is het gezicht van de verteller wel het gezicht van Susie of het gezicht van God.

In deze maskerade verschuift het perspectief voortdurend, wat Karami goed voor elkaar krijgt door behalve stemmen ook stemmingen in elkaar over te laten vloeien. De bundel kent naast de kaart van Taipei ook een mentale kaart. Een van de afdelingen, ‘Yonghe’, krijgt deze toevoeging: ‘(apathie)’. De andere toevoegingen zijn agitatie, aversie, delirium en euforie.

Deze gemoedstoestanden houden zich niet – natuurlijk niet – aan de afdelingsgrenzen. Je glijdt gemakkelijk van het een in het ander. Sterker nog: veel van de gedichten laten zich lezen als geagiteerd én euforisch, delirisch én apathisch. Dit maakt deze gedichten nog rijker en veelzijdiger dan ze al door het stemmenspel zijn.

In het hart van de bundel tref je het wildgroeiende ‘nachtboek’ aan, een nachtmerrieachtige sequentie van fragmenten die vanzelfsprekend gecategoriseerd zijn onder ‘delirium’. Ook hierin tiert de desintegratie welig: ‘waarom kom je steeds jezelf tegen? / “omdat je overal scattered ligt”’.