Opinie

Wat moeten we met de vrijheid van onderwijs?

Moeten we religieuze scholen niet meer toestaan? Of is artikel 23 van de grondwet juist een liberale triomf? Vier essayisten over de vrijheid van onderwijs.

Opening van de eerste Nederlandse Montessorischool in 1937. Montessorischolen behoren tot het algemeen bijzonder onderwijs.
Opening van de eerste Nederlandse Montessorischool in 1937. Montessorischolen behoren tot het algemeen bijzonder onderwijs. Foto ANP

De Onderwijsraad, het onafhankelijk adviescollege over onderwijs voor regering en parlement, brengt in 2020 een verkenning uit over artikel 23 van de grondwet. De raad vroeg daarom vier opiniemakers een essay te schrijven over de vrijheid van onderwijs anno 2019.

Hier vindt u sterk ingekorte versies; lees de volledige essays op de website van de Onderwijsraad.

Ontsnappen aan de staat

De vrijheid van onderwijs die bijzondere scholen mogelijk maakte is van 1917. De onvrijheid van onderwijs is echter al zeventien jaar ouder. In 1900 diende minister Goeman Borgesius het wetsvoorstel in waarmee onderwijs verplicht werd voor elke Nederlandse burger. Elke Nederlandse ingezetene moest gedurende minimaal zes jaar van zijn leven huis en haard verlaten om zich te laten onderwijzen. In de volgende honderdtwintig jaar werd de schooldwang alleen maar uitgebreid. Vandaag brengt elke Nederlander verplicht dertien jaar lang vijf dagen per week door in een onderwijsinstelling.

Braaf halen de leerplichtigen hun roosters op, die dicteren waar zij elk moment van de week, in welk lokaal naar welke docent moeten luisteren. De vraag of de leerling in kwestie zin heeft, de lesstof al kent of over enige motivatie beschikt om die te leren kennen doet niet ter zake. Wie niet komt opdagen, wordt bestraft. Via schooldirecteuren, leerplichtambtenaren, en zelfs de officier van justitie komt de staat op de deuren kloppen en boetes uitdelen. Dit absurde overheidsingrijpen op de levens van onschuldige burgers vinden wij over het algemeen de normaalste zaak van de wereld; er is geen noemenswaardig debat over.

Pas als de leerplichtige tijdens het eindexamen genoeg vragen over de van overheidswege verplicht gestelde lesstof correct weet te beantwoorden, pas dan laat de staat ze eindelijk vrij. Dan pas mogen ze zelf weer bepalen waar ze hun tijd, aandacht en energie aan besteden. Over welke vrijheid van onderwijs hebben we het eigenlijk?

Godzijdank is er nog enige vrijheid in de manier waarop die lange jaren worden ingevuld. Onderwijs is tenslotte geen neutrale bezigheid. Ook al laten we er een heleboel wetenschap op los, en houdt dagelijks een leger aan pedagogen en onderwijskundigen zich bezig met de vraag welk onderwijs het effectiefst is, uiteindelijk houdt iedereen toch vast aan zijn overtuiging. De één gelooft dat er op school vooral veel aandacht moet worden besteed aan literatuur, of juist aan muziek. De ander gelooft dat kinderen het beste af zijn als ze de helft van de dag Engels spreken. Mensen willen moestuinen, meditatieve stiltesessies, of veel sporten.

Gelukkig hoeven we het niet eens te worden. Binnen de dwangbuis van de leerplicht mogen ouders nog steeds zelf de slingers ophangen. Een groep ouders of burgers kan, zonder eigen geld, een school naar eigen inzicht oprichten en inrichten, mits er aan de talloze voorwaarden en kwaliteitseisen wordt voldaan. En zo komt het dat je niet verplicht langs de Nederlandse vlag naar je klas gaat of onder de portretten van de staatshoofden door naar het schoolplein loopt.

Ik ben ervan overtuigd dat het belangrijk is om te kunnen ontkomen aan de staat. Dat iedereen, elke burger, elke éénling, elk gezin, elke minderheid de mogelijkheid heeft om te ontsnappen aan de dictatuur van de meerderheid. Om er je eigen waarheid op na te houden en in je eigen bubbel te blijven. Het is vanwege de schooldwang dat artikel 23 zo’n belangrijke vrijheid werd.

Segregatie? Door elitescholen

Wanneer artikel 23 ter discussie staat lijkt een kwestie rond islamitisch onderwijs bijna altijd de aanleiding. Denk aan de aanhoudende rel bij het Amsterdamse Haga Lyceum, denk aan de obstructie van de Westlandse gemeenteraad rond de oprichting van een islamitische school. Het alarmisme is vaak zo groot dat je bijna zou denken dat de uitwassen in, en angst voor, het confessionele onderwijs zich nu voor het eerst manifesteren.

Als we de kwestie praktischer benaderen: het gaat bij artikel 23 niet louter om een voorkeur voor een bepaalde type school, die zou passen bij de levensbeschouwing van ouders. Enkele nuchtere constateringen van onderwijsminister Arie Slob (CU) eerder in NRC: ruim twee derde van de ouders stuurt zijn kinderen naar het bijzonder onderwijs. Het lijkt me stug dat al die ouders van huis uit religieus zijn, of allemaal de school uitkiezen die exact bij hun denominatie of levensovertuiging past. Op veel islamitische scholen werken niet-islamitische docenten, en 90 procent(!) van de islamitische kinderen gaat níet naar islamitisch onderwijs.

We mogen er gerust van uitgaan dat elke ouder het beste onderwijs wil voor zijn of haar kind. Geen ouder stuurt zijn kind naar een slechte school, of die nou levensbeschouwelijk ‘past’ of niet. Maar die slechte scholen bestáán, en niet iedereen heeft de luxe om zijn kind op een veel betere school te plaatsen drie stadswijken verderop – laat staan op een school die én kwalitatief goed is én ook nog eens past bij de levensovertuiging.

Terwijl politici met veel bombarie hun zorgen uiten over het ontstaan van ‘parallelle samenlevingen’ door de oprichting van islamitische scholen, gaan zij voorbij aan het feit dat die parallelle samenlevingen al bestaan – en dat ligt niet aan artikel 23. De olifant in de kamer: de (zelf)segregatie door vaak hoogopgeleide, witte ouders, waarvan een aanzienlijk deel zijn kind buiten de eigen gemengde wijk naar een overwegend witte school stuurt. Dát is de ware segregatie in het onderwijs: niet die tussen openbare en confessionele scholen, maar die tussen witte en zwarte scholen.

De huidige generatie ouders in een Amsterdam-West of Rotterdam-Zuid wil daarom eigen scholen stichten, met andere pedagogische en didactische visies en met een veel directere maatschappelijke betrokkenheid. En ja, dan biedt artikel 23 uitkomst – je zou dergelijke burgerparticipatie ook kunnen toejuichen natuurlijk. Waarom een artikel afschaffen of aanpassen dat domweg werkt, zelfs na honderd jaar? Lang leve artikel 23.

Samen naar school, niet apart

Het zal met mijn humanistisch-atheïstische Deense achtergrond te maken hebben, maar ik heb de vanzelfsprekendheid van bijzonder onderwijs in Nederland altijd raadselachtig gevonden. Niet zozeer de pedagogische vrijheid van onderwijsconcepten, zoals Jenaplan, Montessori of Dalton maar wel de vanzelfsprekendheid van het enorme aanbod van op religie geënte scholen. Waarom kennisinstituten met religie vermengen? Waarom zou je scholen inzetten voor geloofsoverdracht in plaats van geloofsonderricht te stimuleren, waarbij je kinderen laat kennismaken met een veelheid aan culturen en geloven? Voor het leren van taal, rekenen, gym en fatsoenlijke manieren heb je geen religie nodig.

Dat is niet hetzelfde als zeggen dat vakken die op openbare scholen worden gedoceerd alleen daarom ‘neutraal’ zouden zijn – over de canon wordt terecht volop getwist.

De vrijheid tot onderwijs gaat niet over het kind dat vrij is om een school te kiezen. Het gaat ook niet over volwassenen die onderwijs voor hun kind kiezen. Onderwijsvrijheid betekent dat iedereen vrij is om een school te stichten gestoeld op een eigen grondslag of levensovertuiging.

Vrijheid is een hoog goed, maar het is ook een abstract begrip. Zodra je er inhoud aan geeft, stuit je op paradoxen. Bijvoorbeeld dat vrijheid gebruikt kan worden om iets te stichten dat de vrijheid van anderen inperkt – denk aan de anti-emancipatoire en onverdraagzame denkbeelden uit het lesmateriaal van de islamitische scholen. Hoewel we sinds 1968 aparte jongens- en meisjesscholen hebben afgeschaft – seksegelijkheid is een belangrijke waarde in onze samenleving – benadrukken orthodox-religieuze scholen sekse-ongelijkheid door aparte gymlessen voor jongen en meisjes te geven en kledingvoorschriften aan meisjes op te leggen, zoals het dragen van gezichtssluiers (op de islamitische scholen) of lange rokken (in de Bible Belt).

Nog een paradox: de vrijheid van onderwijs leidt weliswaar tot diversiteit in het aanbod, maar de populatie van elke afzonderlijke school wordt juist minder divers (aparte scholen voor moslims, hindoes, christenen). En terwijl de samenleving steeds diverser wordt, verliezen we het gevoel van gemeenschap en dat is met name voor de onderkant van de samenleving desastreus. Onderwijs is en blijft het sterkste middel om verdere segregatie te voorkomen.

Stel alle basale vragen opnieuw: waartoe leiden wij in Nederland op? Welke normen en waarden vinden wij van belang? Hoe dienen die om de samenleving, waarin iedereen gelijke kansen krijgt, bij elkaar te houden? Met de antwoorden kunnen we artikel 23 moderniseren, herzien en vervangen door een wet die emancipatie en diversiteit bevordert, in plaats van bevolkingsgroepen segregeert.

Ik zou niet het bijzonder onderwijs in zijn geheel willen afschaffen. Religieuze intolerantie en geloofsoverdracht behoren voor mij niet tot de taken van een school, maar als het gaat om die wat verwarrende categorie van algemeen bijzonder onderwijs – het aanbod van verschillende onderwijsconcepten, dan zou ik daar voor zeker pleiten. Schaf de vrijheid van richting, de vrijheid van het bijzonder onderwijs om een bepaalde overtuiging ontleend aan een specifieke godsdienst af, maar behoud de vrijheid van inrichting ofwel de pedagogische autonomie van scholen.

Opvoeden met coherent idee

Honderd jaar geleden kwamen de Verenigde Staten en Nederland tot fundamenteel verschillende oplossingen voor wat in beide landen een veelbesproken vraag was: wat zou de rol van scholen moeten zijn bij het omgaan met de sociale spanningen en breuken in hun snel veranderende samenlevingen? Moet het onderwijsaanbod pluralistisch zijn, en de culturele en religieuze diversiteit van de samenleving weerspiegelen? Of moet het die diversiteit in de opgroeiende generatie zoveel mogelijk verminderen door een uniforme ‘gemeenschappelijke school’-ervaring te bieden?

Nederland staat voor de vraag of het na een eeuw alsnog voor het Amerikaanse model moet kiezen. In de VS was er zorg over miljoenen immigranten: zouden hun kinderen wel loyale en bijdragende Amerikanen worden? Nu heb je een wijdverbreide bezorgdheid over met name de moslimbevolking. Moet Nederland zijn toewijding aan educatief pluralisme opgeven?

Ik zie twee uitdagingen: achterblijvende onderwijsprestaties bij kinderen uit minderheidsgroepen en het risico van religieuze of culturele vervreemding. Nu, als ik iets heb geleerd van mijn onderzoek op dit gebied, is het dat waar er sterk positieve onderwijsresultaten zijn, die in het algemeen behaald worden door scholen met sterk leiderschap en met een duidelijk gerichte missie.

Scholen die – binnen een kader van publieke verantwoording – hun richting gebruiken om jongeren met een migratieachtergrond te leren om vanuit hun identiteit en overtuigingen een positieve bijdrage aan de Nederlandse samenleving te leveren, verdienen steun. Voor scholen die gedwongen zijn om de bredere culturele verwarring te weerspiegelen, wordt het steeds moeilijker een echte opvoeding te bieden in de zin van het vormgeven van karakter en morele overtuigingen op basis van een coherent begrip van de wereld.

In een wereld waarin jongeren worden blootgesteld aan de verwarde en cynische waarden die de media presenteren, is het des te belangrijker om onderwijs te bieden dat is geworteld in een coherent wereldbeeld. Scholen die dergelijke focus missen, kunnen lesgeven, maar ze geven niet echt onderwijs.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.