Rebellen beheersen bufferzone

Syrië Turkije traint rebellen van het Syrische Nationale Leger die worden verdacht van ernstige misdrijven tegen de Koerden.

Schoolkinderen houden foto’s in de lucht tijdens een protest op woensdag in de Koerdisch-Syrische stad Qamishli. Zij demonstreren tegen de dood van kinderen bij een Turkse aanval, twee dagen eerder.
Schoolkinderen houden foto’s in de lucht tijdens een protest op woensdag in de Koerdisch-Syrische stad Qamishli. Zij demonstreren tegen de dood van kinderen bij een Turkse aanval, twee dagen eerder. Foto Delil souleiman /AFP

Twee maanden na het Turkse offensief is het noorden van Syrië nog lang niet veilig. Officieel is er weliswaar een wapenstilstand van kracht – Turkse en Russische militairen houden gezamenlijke patrouilles om toe te zien op de naleving daarvan – toch wordt er af en toe nog flink gevochten tussen Turkse troepen en de Koerdische militie YPG.

Volgens de Verenigde Naties zijn ruim 200.000 mensen ontheemd geraakt als gevolg van het geweld. De meesten vluchtten naar Syrische steden en dorpen op veilige afstand van het front, waar nauwelijks hulp of opvang is. De gelukkigen konden terecht bij familieleden. Veel anderen namen hun intrek in leegstaande gebouwen zonder ramen, elektriciteit of stromend water. Geen plek om de naderende winter af te wachten.

De helft van de ontheemden probeert inmiddels terug te keren. Velen kunnen niet terug omdat hun huizen zijn geconfisqueerd en spullen zijn geroofd door Syrische rebellen die voor Turkije vechten. Dit blijkt uit onderzoek dat Human Right Watch vorige week publiceerde. „We ontdekten dat Arabieren wel terug naar huis kunnen, maar veel Koerden niet”, zegt onderzoeker Sara Kayyali. „Dit lijkt bewust beleid met als doel de bevolkingssamenstelling in het gebied te veranderen.”

Veel Koerden zien dit als bewijs van etnische zuivering. Maar zo ver wil Kayyali niet gaan op basis van een twintigtal interviews. De HRW-onderzoeker zegt: „Er is duidelijk sprake van een patroon, dat we vorig jaar ook zagen na de Turkse bezetting van de regio Afrin. De terugkeer van ontheemden wordt belemmerd op basis van hun etniciteit. Maar ik wil de situatie niet overdrijven. Etnische zuivering is een ernstig misdrijf onder internationaal recht. We hebben veel meer bewijs nodig voor zo’n zware beschuldiging.”

Het is onduidelijk of de rebellen onder direct bevel staan van Turkije. Ze maken deel uit van het Syrische Nationale Leger (SNA), een los verband van strijdgroepen die geld, wapens en training krijgen van Turkije. Het Turkse leger zette ze eerder in als stoottroepen bij de verovering van de regio’s Jarablus en Afrin in 2016 en 2018. Ook tijdens het recente offensief tegen de YPG in het noordoosten van Syrië knapte het SNA het vuile werk voor Turkije op.

Mogelijk oorlogsmisdaden

Volgens mensenrechtenorganisaties heeft het SNA zich daarbij schuldig gemaakt aan misdrijven tegen burgers en mogelijk oorlogsmisdaden, zoals plundering, ontvoering, afpersing, marteling en buitenrechtelijke executies. Een van de incidenten was de moord op de Koerdische politicus Hevrin Khalaf, haar bewaker en haar chauffeur door leden van Ahrar al-Sharqiya, een van de beruchtste groepen binnen het SNA.

De YPG greep de incidenten aan om het SNA af te schilderen als een bende jihadisten. Dat is overdreven, zegt de Syrische expert Aymenn al-Tamimi, die onderzoek deed naar het SNA. „Veel aandacht gaat uit naar Ahrar al-Sharqiya, maar dat is slechts een van de ruim veertig facties. Sommigen hebben salafistische wortels, zoals Jaish al-Islam en het Levant Front, maar niet een kan als jihadistisch worden bestempeld”.

Uit hoeveel strijders het SNA bestaat is onduidelijk. De genoemde aantallen lopen uiteen van 15.000 tot wel 80.000. De meeste experts houden het op zo’n 30.000 man. „Het zijn voornamelijk nieuwe rekruten die in het begin van de opstand te jong waren om te vechten”, zegt Al-Tamimi. „Velen zijn ontheemden uit andere delen van Syrië. Omdat ze geen werk konden vinden en geen familie hebben om op terug te vallen, sloten ze zich aan bij het SNA.”

In het begin was de soldij bijzonder goed: 300 dollar per maand. Dit was vóór de bezetting van Jarablus, toen Turkije net was begonnen om rebellen te werven en te verenigen onder één vlag. Maar naarmate de rangen groeiden en de Turkse economie verslechterde, daalde de soldij naar 50 dollar. Omdat ze daarvan niet kunnen leven, zijn veel strijders gedwongen om leningen af te sluiten, te roven of te plunderen.

Dit concludeert de Israëlische onderzoeker Elizabeth Tsurkov in een artikel in The New York Review of Books. Zij baseert zich op gesprekken die ze de afgelopen jaren voerde met tal van SNA-strijders – via de telefoon, of tijdens ontmoetingen in Turkije. Ze beschrijft ze als „een bonte verzameling vaak verarmde en getraumatiseerde mannen, die zich gedwongen voelen voor Turkije te vechten voor financieel gewin.”

Frustratie en schuldgevoel

Dat staat haaks op het officiële beeld. Het SNA presenteert zich als een groep vrijheidsstrijders die de confrontatie met het regime voortzet. In werkelijkheid gaat het SNA de strijd met troepen van Assad uit de weg. Turkije is niet langer uit op de val van het regime. Dit leidt bij veel strijders tot frustratie en schuldgevoel, schrijft Tsurkov. „Ze hingen uren aan de telefoon, en beschreven in detail het geweld en de misdaden”.

De Turkse regering lijkt zich bewust van de problemen. Het offensief in Afrin leidde tot zo veel kritiek, dat Ankara een commissie in het leven riep om vermeende misdaden te onderzoeken. Ook publiceerde het SNA onlangs een ‘gedragscode’ vol verwijzingen naar internationale verdragen op het gebied van oorlogsrecht. Het lijkt eerder een pr-offensief dan een serieuze poging om wangedrag aan te pakken.

Kayyali wijst op de situatie in Afrin. „De misdaden die we daar documenteerden hebben niet tot represailles geleid. Niemand is verantwoordelijk gehouden, ook al beweert Turkije anders. Afrin is nog altijd een wetteloos en onveilig oord. Als Turkije werk wil maken van die ‘veilige zone’ voor vluchtelingen, dan moet het zijn verantwoordelijkheid nemen en de straffeloosheid aanpakken.”