Radeisu en woruteru: Hollandse groenten in negentiende- eeuws Japan

Etnobotanie Samen met een student ontcijferde de Leidse hoogleraar Tinde van Andel een Japanse groenten-encyclopedie uit 1800. ‘Grote klis smaakt naar chloor, maar is nog wel populair.’

Probeer de Nederlandse betekenis van de volgende woorden, die twee eeuwen geleden in fonetisch Japans zijn opgeschreven, maar eens te ontcijferen: reinsaato, radeisu, konkomumeren en woruteru. Eén tip: houd in het achterhoofd dat Japanners de klanken L en R vaak verwisselen.

Zo hebben etnobotanica Tinde van Andel en de Japans-Indiase student Shantonu Abe Chatterjee uren zitten puzzelen op de benamingen die ze vonden in een oude Japanse groentenencyclopedie. Abe Chatterjee (die geen Nederlands spreekt) las het Japanse woord telkens hardop voor en Van Andel probeerde er een Nederlandse betekenis in te horen. Zo werd reinsaato lijnzaad, radeisu radijs, konkomumeren komkommer en woruteru wortel. Allemaal woorden die Japanners uit het Nederlands overnamen.

De encyclopedie stamt ongeveer uit het jaar 1800, en heet Seikei Zusetsu. Vrij vertaald: geïllustreerde encyclopedie met landbouwproducten. Het boekwerk kwam ooit in Nederland terecht via de Duitse VOC-arts en botanicus Philip Franz von Siebold (1796-1866). Als één van de weinige westerse wetenschappers kreeg hij toegang tot het destijds gesloten Japan en was jarenlang gestationeerd op het eilandje Deshima. Dat eiland diende toen als handelspost voor Nederlanders, die bij uitzondering eens per jaar een handelsreis door het land mochten maken.

Sindsdien lag het boek opgeslagen in de Speciale Collectie van de universiteitsbibliotheek in Leiden. Van Andel en Abe Chatterjee hebben de encyclopedie gedigitaliseerd en openbaar gemaakt op de website van de universiteitsbibliotheek en in het decembernummer van wetenschappelijk tijdschrift Economic Botany.

Van Andel wil de historische plantencollecties van Nederlandse musea en universiteiten digitaal ontsluiten voor de landen waar die collecties ooit vandaan zijn gehaald, vertelt ze in de werkkamer van haar huis in Amsterdam. Abe Chatterjee is er ook, overgekomen uit Keulen waar hij nu promotieonderzoek doet. „Nederlanders hebben een lange historie van botanische expedities”, legt Van Andel uit. „De VOC en de WIC reisden de hele wereld over en verzamelden overal boeken en planten. Die gigantische collecties liggen nu achter gesloten deuren omdat ze zo waardevol en kwetsbaar zijn. Maar de landen waar we al die informatie vandaan haalden, hebben er soms geen weet van. Ik wil de schatkamer virtueel voor hen openen.”

Hoe komt het dat Japanners tweehonderd jaar geleden hun gewassen Nederlandse namen gaven?

Van Andel: „Japanners en Nederlanders waren geïnteresseerd in elkaar en profiteerden van elkaars kennis. Voordat Von Siebold in Japan was, was de Zweedse arts en botanicus Carl Peter Thunberg al met de VOC in Japan terecht gekomen. Hij had wat Nederlandse boeken over planten bij zich, waaronder een Cruijdeboeck uit de 17e eeuw.”

Abe Chatterjee: „Japan stond toen sterk onder invloed van de Chinese traditionele geneeskunde. Dus toen de Japanners de boeken met afbeeldingen van Nederlandse gewassen zagen, dachten zij dat de Nederlandse benamingen dé wetenschappelijke benamingen waren. En hebben ze die namen overgenomen.”

Noemen Japanners hun groenten nog steeds zo?

Abe Chatterjee: „Nee, die benamingen worden nu niet meer gebruikt in Japan. De groenten waren toen allang bekend en hadden in het dagelijks taalgebruik al een Japanse of Chinese naam. De Nederlandse namen zag men in die tijd meer als de wetenschappelijke naam. die vooral gebruikt werd voor het categoriseren van planten. Die Nederlandse termen waren trouwens vaak beschrijvend van aard. Ze heten bijvoorbeeld ‘samengroeien van twee aren’, ‘kalfsvoet van Egypte’ of ‘maankop’.”

Twee platen uit de Seikei Zusetsu. Links een tamme komkommer: Tamume Konkomumeren (Cucumis sativus L.). Rechts een ‘Eigendlijke meloen’ (tegenwoordige naam: waspompoen: Benincasa hispida): Eigentoreiki Meruton Beeld Leiden University Libraries

Van Andel: „Met ‘samengroeien van twee aren’ bedoelden ze een soort rare nakomelingen van zelf opgekweekt rijstzaad. Kalfsvoet van Egypte stond voor Colocasia esculenta, een tropisch knolgewas met een pijlvormig blad dat op de afdruk van een koeienhoef lijkt. In Nederland kenden ze dat gewas toen alleen vanuit Egypte. En met maankop bedoelden ze Papaver somniferum, de papaversoort die maanzaad aanmaakt.”

In de publicatie Van Andel en Abe Chatterjee staat dat de helft van de gewassen niet meer in Japan wordt verbouwd. Die zijn uitgestorven, verwilderd tot onkruid, of te bestempelen als ‘vergeten groenten’.

Welke wilde soorten uit het boek hebt u weleens gegeten?

Abe Chatterjee: „De grote klis, bijvoorbeeld. Japanners eten de wortels. Het was een hongergewas dat in de Tweede Wereldoorlog veel werd gegeten. Het smaakt een beetje naar chloor, maar is nog steeds populair voedsel. Ook paardenstaart kun je eten. De jonge scheuten zijn te stomen, ze hebben een lekkere textuur.”

Hoe is het voedsel in Japan veranderd sinds 1800?

Van Andel: „Het idee dat Japan een heel traditioneel land is, is een misconceptie. We kwamen erachter dat de verbouwde gewassen vroeger veel diverser waren, veel is al verdwenen.”

Abe Chatterjee: „Vooral over rijst heerst een misverstand. In 2013 werd de traditionele Japanse keuken nog door UNESCO bestempeld als cultureel erfgoed. Maar de vraag is: wat is traditioneel? Als je een paar generaties teruggaat, gebruiken mensen veel meer een mix van granen. Men at gerst en gierst. Rijst was echt het voedsel voor de rijken. Het was toen heel moeilijk te verbouwen, omdat er zoveel water bij nodig is.”

Wanneer zijn Japanners dan wel rijst gaan eten?

Abe Chatterjee: „Na de Tweede Wereldoorlog probeerde de Japanse overheid de voedselproductie te centraliseren. De ene regio van Japan moest vooral radijs verbouwen. Andere regio’s verbouwden vooral kool en wortels. De oogst werd in distributiecentra verzameld en vervolgens verscheept naar de rest van het land.”

Van Andel: „Het land ging toen over van een landbouwsysteem waarin veel mensen veel verschillende gewassen verbouwden, naar grote gebieden waar maar één soort verbouwd werd.”

Abe Chatterjee: „Het verbouwen van rijst werd toen pas lucratief, omdat de overheid veel investeerde in het verhogen van de productie.”

Wanneer noem je iets een vergeten groente?

Abe Chatterjee: „Groente is alleen vergeten als het nog mogelijk is de zaden terug te halen, anders is de groente verloren. Je moet dus in de tuinen van oude mensen gaan kijken. Soms kweken die nog gewassen van oma en bewaren de zaden zelf. In Japan doet professor Hiroaki Egashira dit bijvoorbeeld, maar het is ongelofelijk veel werk.”

Van Andel: „Een Nederlands voorbeeld is de blauwschokker [een kapucijnersoort, red.], die is door tuinders herontdekt. Anders zou de soort weg zijn, want hij komt niet in het wild voor.”

Twee kalebassen uit de Seikei Zusetsu: links een ‘Gouden winter kalebas’ (Cucurbita pepo L.) en rechts een ‘‘Kleine Ronde pompoen’ (Japans: Kerein Ronde Ponpoon, Cucurbita maxima Duchesne) Beeld Leiden University Libraries

En in hoeverre was de Seikei Zusetsu zelf vergeten?

Abe Chatterjee: „Er zijn in Japan nog twee exemplaren van het boek bekend, eentje in zwart-wit en eentje met vervaagde kleuren.”

Van Andel: „Het boek bestaat uit houtsneden die in zwart-wit gedrukt werden. Pas wanneer je extra betaalde, dan kleurde iemand de prenten met de hand voor je in. Kun je nagaan hoe kostbaar dit cadeau voor Von Siebold was.”

Wat hoopt u dat er gebeurt, nu deze oude Japanse kennis weer openbaar wordt?

Van Andel: „Het is wel leuk om de groenten in de publiciteit te brengen, zodat mensen ze misschien opnieuw willen kweken. Maar ik denk niet dat teruggevonden vergeten groenten opnieuw in grote hoeveelheden verbouwd zullen gaan worden. De afbeeldingen uit deze encyclopedie zijn ook mooi advertentiemateriaal voor mensen die willen experimenteren met traditioneel voedsel. In Nederland heb je steeds meer restaurants die wilde groenten op de kaart zetten. Speciale zilte groenten uit Texel bijvoorbeeld. Het is een trend om diverser te eten.”

Toen Tinde van Andel in 2017 haar oratie hield om bijzonder hoogleraar ‘Geschiedenis van botanie en tuinen’ in Leiden te worden, pleitte ze ervoor om botanische schatkamers te openen en musea te dekoloniseren.

Hoe staat het daar nu mee?

Van Andel: „Het grappige is dat, sinds ik historische collecties laat digitaliseren en openbaar maak, er opeens ook veel meer interesse komt voor de herbaria – verzamelingen van gedroogde planten. Veel musea willen ineens de ‘echte exemplaren’ in hun exposities laten zien.

„Verder kan ik aan cherry picking doen en beginnen met het digitaliseren van de mooiste collecties. Ik heb genoeg werk totdat ik doodga. En dan nóg heb ik maar een fractie gedaan.”

Wat ligt er nog te wachten in die schatkamers?

Van Andel: „Het varieert van boeken met kaften van leer en goud uit de zestiende eeuw tot schriftjes met gedroogde planten die Koningin Juliana verzamelde in de paleistuin, twee maanden voor de Tweede Wereldoorlog begon.”

Afgelopen zomer had Van Andel nog een publicatie over het alleroudste herbarium uit de collectie, met de naam En Tibi Perpetuis Ridentem Floribus Hortum. (Vertaling: ‘Hier voor jou een glimlachende tuin met eeuwig bloeiende bloemen’). In de zoektocht naar de maker van het werk onderzocht ze zelfs de haren die tussen de pagina’s zaten.

Waarom gaat u zó ver om de maker te achterhalen?

Van Andel: „De maker van zo’n boekwerk verdient de credits, vind ik. Als je een tekening vindt, wil je ook weten of het een Leonardo da Vinci is. Dus om te achterhalen wie ‘En Tibi’ maakte, werkte ik samen met botanici, historici, handschriftexperts, boekbindexperts, mensen die Latijn kunnen vertalen.

„In de lijm waarmee de planten waren vastgeplakt hebben we haren gevonden. Een paar waren afkomstig van kwastjes, maar ook zaten er haren tussen van vier verschillende individuen. Die mensen hebben waarschijnlijk de Italiaanse botanicus Francesco Petrollini geholpen bij het samenstellen van het boek, dat een cadeau was voor de Habsburgse keizer.

„Alleen door samen te werken met andere disciplines kun je dit soort mysteries oplossen. Vroeger wilden wetenschappers alles alleen doen, daarom zijn veel schatkamers nog niet ontsloten, het is te moeilijk. Maar ik ken mijn grenzen. Ik kan geen Japans lezen. Als ik dan een Japanse student krijg, denk ik: ja, nu kunnen we zo’n project doen!”

Is de maker van de Japanse encyclopedie bekend?

Abe Chatterjee: „Nee, die is niet bekend. Veel van de houtsneden zijn verbrand. Origineel bestond het boek namelijk uit honderd delen. Er waren ook boeken over bomen, dieren, vissen.”

Van Andel: „Maar misschien bedenkt iemand: ‘Hé, ik heb al zestig jaar zo’n houtsnede liggen’, na het lezen van deze publicatie. En komt er weer wat boven!”

De boeken Seikei Zusetsu en En Tibi zijn te bekijken op de website van de universiteitsbibliotheek Leiden en Naturalis.