Reportage

Omzwervingen van een eeuwenoude banjo

Muziek Op tour in Nederland móet de Amerikaanse folkmuzikante Rhiannon Giddens hem zien: de Creole Bania, de oudste banjo ter wereld, uit Suriname. Het museumstuk laat zien wat zij ook in haar werk wil laten zien: hoe de geschiedenis vervalst kan raken.

Banjospeler Rhiannon Giddens in het Tropenmuseum.Foto Roger Cremers
Banjospeler Rhiannon Giddens in het Tropenmuseum.Foto Roger Cremers

Ze is gaan zitten met haar banjo op de knie. Midden in het Tropenmuseum tokkelt Rhiannon Giddens muziek uit 1688, het oudste overgeleverde Afrikaanse muziekstuk uit de Cariben. In een vitrine boven haar hoofd hangt de oudste banjo ter wereld, de Creole Bania uit Suriname. Die is de reden dat de gelauwerde Amerikaanse folkmuzikante, nog slaperig van de reis, haar schema deze ochtend heeft omgegooid.

„Er mist een drone-snaar”, zegt Giddens, als ze het instrument aandachtig bekijkt door het glas, waarachter het wegens de verzekering en kwetsbaarheid moet blijven. De aparte snaar, typisch voor de banjo, is waarschijnlijk afgebroken van de hals. „En hij heeft geen brug. Nu liggen de snaren direct op de kalebas, de klankkast, zo is hij onbespeelbaar.”

Interessant, vindt Martin Berger, conservator Midden- en Zuid-Amerika van het museum: „Ik bekijk hem in eerste instantie vooral als iets wat ik moet conserveren. Een muzikant kan ons meer vertellen over het gebruik.”

Tot een maand geleden wist Giddens niet eens dat de Creole Bania bestond – dat verbaasde haar zelf ook. Het instrument hoort bij de vaste slavernijtentoonstelling van het Tropenmuseum en is opgenomen in De Canon van Nederland, maar internationaal gezien leidt het een wat obscuur bestaan.

In Amerika is de banjo nauw verbonden met de identiteit van de zuidelijke staten, waar hij vooral als een ‘wit’ instrument wordt gezien. Voor Giddens laat dit oudste exemplaar zien wat zij al jaren vertelt met behulp van haar muziek, een verhaal dat haar Amerikaanse publiek nog steeds maar nauwelijks gelooft: dat de banjo, zogenaamd het Amerikaanse oer-instrument, van oorsprong Afrikaans is. Of eigenlijk Afro-Caribisch.

In de muziekgeschiedenis worden volgens Giddens vaak te rechte lijnen getrokken. Het verhaal van de banjo laat voor haar zien hoe de dominante cultuur de geschiedenis vervalst heeft. Muzikale uitwisseling lijkt meer op een kluwen draden, snaren zo je wilt, verknoopt tussen vier continenten.

De oudste banjo ter wereld

Blackface

De banjo uit het museum doet Giddens het meest denken aan de akonting, een slanke, lange voorloper van de banjo die zij bestudeerde in Gambia. „Maar er zijn veel West-Afrikaanse voorlopers die, soms fysiek, soms als herinnering, tijdens de slavenhandel meereizen naar Caribisch gebied. Zo komt het instrument ook in Noord-Amerika terecht, de eerste honderd jaar vooral bespeeld door zwarte muzikanten op plantages.”

Rond 1820 verandert alles. „Dan worden de eerste minstrel-bands gevormd, waarin witte mensen, beschilderd met blackface, de zwarte cultuur kopiëren en bespotten. Het is de eerste echt Amerikaanse muziekvorm. In Amerika is alles altijd cross-cultureel. Het is wat je ook met jazz, rock’n roll en hiphop ziet. Iets begint in de zwarte gemeenschap en gaat dan een verbond aan met witte cultuur en commercialiseert.”

Rond 1820 wordt de banjo populair en dus interessant voor de handel. De kalebas wordt vervangen door een tamboerijn-achtige klankkast en de hals krijgt fretten, metalen stukjes om de Europese noten makkelijker te kunnen spelen. Het instrument duikt op in vroege jazzbands en in de bluegrass-muziek van het Appalachen-gebergte, waarna het voor altijd verbonden raakt met countrymuziek en de folkrevival van de jaren vijftig.

„Sinds ongeveer 1920 is het dominante verhaal dat de banjo een wit instrument is”, zegt Giddens. Al haar hele carrière vertelt ze de ware geschiedenis van het instrument, maar nog steeds wil lang niet iedereen geloven dat de banjo een typische Nieuwe Wereld-constructie is van Afrikaanse, Caribische, Arabische en Europese muziek. „Het is vermoeiend. Het is heel moeilijk om een narratief dat zo vaak verteld is te doorbreken.”

Toch, als iemand het zou kunnen, is zij het. Opgegroeid in zowel stedelijk als ruraal North-Carolina, kind uit een gemengd huwelijk, doorkruist ze culturen. En, voor zover mogelijk in folkmuziek, ze is een ster. Giddens studeerde opera, maar raakte in 2005 in de ban van de vergeten geschiedenis van zwarte stringbands. Ze vormde de Carolina Chocolate Drops, een groep die de traditie nieuw leven in blies, op popfestivals als Lowlands stond en een Grammy Award won.

Ook haar solo-albums worden bejubeld, zowel om de historische research als om haar verbluffende stem en muzikaliteit. Ze bereikt een breed publiek, speelt ook een rol in de populaire televisieserie Nashville. Haar eigen banjo, een replica van een instrument uit 1858, is te horen op de soundtrack van het populaire computerspel Red Dead Redemption II. Ze werkt nu mee aan een documentairereeks van acteur Samuel L. Jackson over de slavenhandel. Het lied dat ze in het Tropenmuseum speelt, toegeschreven aan de Jamaicaan ‘Mr. Baptiste’, wordt de ouverture van een opera die ze aan het schrijven is, gebaseerd op het werk van zwarte componisten.

Arabische roots

Voor 2020 is ze opnieuw genomineerd voor een Grammy, dit keer samen met haar partner, de Italiaanse multi-instrumentalist Francesco Turrisi. Met hem heeft ze het rijke album There is no Other opgenomen, waarvoor ze nu door Europa toeren. Door zijn inbreng wordt het trans-Atlantische verhaal van de banjo nog breder, en complexer.

De twee banjospelers Rhiannon Giddens en Francesco Turrisi in het Tropenmuseum. Foto Roger Cremers

Terwijl Giddens in het museum het renaissancistisch klinkende stuk uit 1688 speelt, toont Turrisi opgewonden de bladmuziek op zijn telefoon. Het gaat hem om wat er in oud-Engels staat genoteerd: You must clap Hands when the base is plaid, and cry, Alla, Alla. „Zie je,” zegt Turrisi wijzend op de laatste twee woorden, „de oudste Afrikaanse muziek uit de Cariben had Arabische roots.”

Turrisi – van Siciliaanse komaf – is gefascineerd door de enorme, vaak genegeerde Arabische invloed op de middeleeuwse Europese muziek. Veel van de Afrikaanse slaven waren islamitisch. De Arabische ud, voorloper van de Europese middeleeuwse luit, speelt óók een rol in de reis van de banjo.

Net als Giddens is Turrisi klassiek geschoold: hij studeerde jazzpiano en oude muziek aan het conservatorium in Den Haag. Als ze samen musiceren blijken Giddens’ minstrel-songs vaak opmerkelijk goed te passen bij Turrisi’s kennis van Arabische en Siciliaanse tradities. Turrisi: „Meestal komen we er pas later achter hoe de historische verbanden liggen. Het begint met muzikanten die samen spelen, zoals dat eeuwenlang gebeurde zonder dat iets werd opgenomen.” Giddens: „In de geschiedenis wordt culturele beïnvloeding vaak als eenrichtingsverkeer voorgesteld, maar als je een weg opent, gaan mensen en ideeën beide kanten op.”

Haïtiaanse banza

Terwijl ze samen gefascineerd naar de Surinaamse banjo kijken, ontdekken Giddens en Turrisi steeds meer details. Ze vergelijken die met de tekening die verzamelaar Stedman tussen 1772 en 1777 maakte en publiceerde in zijn beroemde boek Reize naar Surinamen. De tekening en het object komen op opmerkelijk veel punten niet overeen. Conservator Berger vermoedt al langer dat de informatie die nu bij het object staat niet klopt. Waarschijnlijk is dit niet de Creole Bania van Stedman.

De museale geschiedenis van deze banjo blijkt al net zo complex als de muzikale. Stedman-kenners Richard en Sally Price meenden in 1978 zijn creole bania te herkennen, ten onrechte opgenomen in de sectie ‘Japan en Azië’ van het Leids Volkenkundig Museum. De onderzoekers wezen in hun publicatie al op enkele discrepanties met Stedmans beschrijving, maar schreven het instrument toch aan zijn collectie toe. Het is het enige gedegen onderzoek naar het object dat tot nu toe gedaan is.

Lees ook: ‘Musea schipperen tussen identiteit bevragen en bevestigen’

Toch lijkt het Berger nu waarschijnlijker dat het om een andere verdwenen banjo gaat, in 1818 uit Suriname meegebracht door arts en verzamelaar F.A. Kühn.

Daarmee zou de Surinaamse banjo nog altijd de oudste zijn, de concurrent is een Haïtiaanse banza uit 1841 in het Musée de la Musique in Parijs, die overigens ook 160 jaar lang verdwenen was in de krochten van de collectie. Een nog oudere Jamaicaanse banjo is weliswaar beschreven en getekend door de Brit Hans Sloane, grondlegger van het British Museum, maar die is nog altijd spoorloos. Deze laatste banjo moet deel zijn geweest van de collectie van 1688 waaruit ook het lied van Giddens komt.

De precieze datering vindt Giddens interessant, maar het gaat haar vooral om hoe de geschiedenis volgens haar vervalst wordt. „Je ziet dat er in de zeventiende en achttiende eeuw wel specifieke interesse was in de herkomst van cultuurgoed. Stedman noemde het object niet voor niets een ‘Creools’ instrument, daarmee erkent hij de versmelting tussen Afrika en Europa. In de loop der eeuwen vervaagt die interesse. Raar hoe snel zoiets gaat. Maar misschien kunnen we het even vlug weer herstellen.”

’s Avonds na het museumbezoek nemen Giddens en Turrisi in het Utrechtse TivoliVredenburg het publiek behendig mee langs vier continenten en nog meer eeuwen. Als Giddens in haar verhaal aankomt bij de blackface-traditie, verbonden met de tamboerijn zegt ze: „Maar een dergelijke traditie hebben jullie hier niet, toch?” Er wordt wat besmuikt gegniffeld. Giddens: „Wat? Het is december, dachten jullie dat ik het zou negeren?”

Rhiannon Giddens en Francesco Turrisi spelen op 10 december nog in kerk De Duif in Amsterdam.