Opinie

Lezen is geen hobby, maar essentieel voor goed burgerschap

Leesvaardigheid

Commentaar

Moet het lezen van een boek een soort ‘cup-a-soup-momentje’ worden? Het is de directeur van het campagnebureau van de Nederlandse boekensector – de Stichting CPNB, die wordt gefinancierd door boekhandelaren, uitgevers en bibliotheken – niet kwalijk te nemen dat ze met een nieuwe kreet probeert het leesgedrag een opkontje te geven. De boekenmarkt krimpt (niet drastisch, wel gestaag) en de leeslust neemt af.

Het driejaarlijkse, internationaal vergelijkende PISA-rapport wees deze week bovendien uit dat Nederlandse jongeren laag scoren op leesplezier en leesvaardigheid – lager dan bij alle eerdere peilingen. Nederlandse vijftienjarigen verkeren nog niet op een schrikbarend niveau (Nederland bevindt zich in de middenmoot van de 35 OESO-landen), maar de daling is significant. In 2015 scoorden van de 15 EU-landen alleen Finse en Ierse jongeren hoger op de leesvaardigheidstoets dan de Nederlandse deelnemers. In 2018, toen het nu gepresenteerde onderzoek werd uitgevoerd door de Universiteit Twente, presteerden al acht EU-landen beter dan Nederland.

Met het leesplezier is het nog ernstiger gesteld. Nederlandse jongeren zijn van de gehele EU het minst tot lezen geneigd. Van de ondervraagde Nederlandse jongeren zegt bijna 60 procent uitsluitend te lezen als het moet.

Leesplezier en leesvaardigheid gaan hand in hand; beleidsmakers laten ze dan ook meestal samen optrekken. Dat is een goed principe, dat de reactie van de onderwijsministers Van Engelshoven (Onderwijs, D66) en Slob (Basis- en Voortgezet Onderwijs, CU) op het PISA-rapport ook huldigde: er komt een „leesoffensief”, om voorlezen en lezen onder jongeren te „stimuleren”. Onder meer willen de bewindslieden „met onderwijs- en leesorganisaties in gesprek hoe het leesplezier vergroot kan worden”.

Kinderen en jongeren moeten lezen kortom weer leuk gaan vinden. Maar dit ‘leesoffensief’ van de overheid neigt naar een halfslachtige maatregel, want zo kaatsen de ministers de bal weer terug, zonder stevige beleidsmatige of financiële stappen te zetten. De burger moet zelf aan de slag. Dat mag bij de signatuur van het huidige kabinet passen, maar zulke gevraagde zelfredzaamheid en ook de nadruk op leesplezier dreigen het ware probleem te veronachtzamen.

Het alarmerendste cijfer in de PISA-conclusies was namelijk dat 24 procent van de Nederlandse vijftienjarigen een basaal leesvaardigheidsniveau niet haalt: een niveau dat volgens de PISA-definitie „nodig is om als mondige burger te participeren in de huidige kennissamenleving”. Dat betekent dat bijvoorbeeld een brief van de overheid niet goed begrepen wordt. En dat de betrouwbaarheid van een tekst slecht beoordeeld kan worden – op dat onderdeel scoren Nederlandse jongeren ver onder het gemiddelde, het slechtst van de hele EU.

In tijden van desinformatie en van een toeslagenaffaire die vele onmondige burgers in de schulden deed belanden, is gebrekkige leesvaardigheid een groter probleem dan tanend leesplezier. Leesvaardigheid is essentieel voor weerbare burgers.

Dat vergt een urgentie die niet spreekt uit het ministeriële ‘leesoffensief’ of de populariserende benadering van de Stichting CPNB. De directeur van de CPNB wil „het leven van mensen verrijken door ze meer boeken te laten lezen”, al dan niet in plaats van een soepmaaltijd. In zulke formuleringen is de amusementswaarde leidend, waardoor lezen dreigt af te glijden naar hobbyisme. Voor je het weet is leesbevordering een luxe, die ook wegbezuinigd kan worden.

De prioriteit moet leesvaardigheid zijn, vooral in het onderwijs, wat niet wil zeggen dat leesplezier niet meer nagestreefd hoeft te worden. Het verdient juist aanbeveling om leesvaardigheid niet slechts aan bod te laten komen bij het schoolvak Nederlands, bij het tamelijk geestdodende onderdeel ‘begrijpend lezen’, dat vaardigheden traint. Wanneer het lezen van uitdagende teksten inhoudelijk interessant is, bijvoorbeeld als integraal onderdeel van de geschiedenis-, maatschappijleer- of economieles, motiveert dat een leerling meer dan een lesje samenvatten.

Toen bij het eerste PISA-onderzoek in 2000 de leesvaardigheid van Duitse jongeren ondermaats bleek, nam de overheid maatregelen. Die kwamen neer op: meer overheidsgeld naar het onderwijs, waar meer geld meer tijd betekent. Sindsdien werd er meer gelezen in de klas – ook door wie niet van lezen hield. Bij de PISA-rapportages die volgden waren de prestaties significant verbeterd. Maar die verbetering was niet gratis.