Gorter, Oude Teertuinen

Halte Poëzie

Marien Jonkers

‘Het regende in de stad,/ toen kwam er wat/ muziek van straatmuzikanten,/ die bliezen naar de kanten.// Toen voelde ik den leugen/ van vrolijkheid in ’t geheugen,/ die men als kind eens heeft,/ te dansen omdat men leeft.’

Dat is van Herman Gorter, uit Verzen, waarin ook het onsterflijke ‘Zie je, ik hou van je,/ ik vin je zo lief en zo licht-’ is opgenomen. Verzen is uit 1890. Gorter was 25. Twintig jaar eerder, op 15 maart 1870, was hij samen met zijn vader en zijn moeder, zijn oudere broer Douwe en zijn jongere zus Nina van Wormerveer naar Amsterdam verhuisd. Naar het adres Oude Teertuinen 11 (later Prins Hendrikkade 77). Het huis is afgebroken voor de bouw van de St. Nicolaaskerk.

Na het gymnasium ging Gorter klassieke talen studeren. Hij werd lid van het Amsterdams Studenten Corps en tijdens de ontgroening moest hij, zoals toen gebruikelijk was, zijn autobiografie schrijven. Over de verhuizing naar Amsterdam schrijft hij: „Onze eerste woonplaats was daar aan de Slijpstenen aan het IJ, dat toen het IJ nog was, onmiddellijk aan het water. Schuimend spatte het daar dikwijls omhoog tegen den steilen kaaimuur gezweept door den wind of in deining door de gaande en komende schepen en booten. (…) Helaas! nu is daar weinig meer van over. Waar vroeger het water woelde en golfde staan nu eenige schrale boompjes, rollen de tramwagens en ligt eene modderige kolk.”

Gorters vader Simon was toen al ernstig ziek. „’t Is mij vaak een zware last dat ik zoo weinig voor mijn kinderen kan zijn”, schrijft hij in het najaar van 1870 aan zijn ouders, de grootouders van Herman dus; „ik kan er niet een op den schoot hebben, de hoest belet mij hen te vertellen, hun levendigheid hindert mij maar al te vaak.”

Simon Gorter overleed op 5 juni 1871, hij was 33. Zijn vrouw verhuist eerst naar de Prinsengracht 73 en daarna, in april 1873, naar Binnen Amstel 165, tussen Magere Brug en Hoge Sluis. In 1875 laat Johanna Gorter zich fotograferen met haar drie kinderen. Op de achterkant van de foto schreef ze: ‘Links Douwe, reeds een arts in dop/ Rechts Herman, met zijn dichterskop/ En in het midden kleine Nine/ Die nu nog zoo wat schijnt te grienen/ Maar later te Berlijn/ Op kunstgebied bekend zal zijn/ Johanna, met verrukten blik/ Denkt: Dezer telgen Ma ben ik.’

Het vroegst bekende gedicht van de dichterskop, ‘Ik heb lust om lieve woordjes te fluisteren’, is van 1886. In datzelfde jaar treffen we hem samen met Alphons Diepenbrock op de kamer van Kloos in de Govert Flinckstraat, en nog geen jaar later, op 18 april 1887 schrijft hij de eerste regel van de Mei. ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid.’

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.