Een derde van alle dopingzondaars gebruikte drugs: ‘Ik presteer écht niet beter van een snuif coke’

Onderzoek | Doping Een derde van alle dopinggevallen was de afgelopen tien jaar het gevolg van drugs. Die sporters zijn vaak onbedoelde ‘bijvangst’ voor de Nederlandse Dopingautoriteit. „Op een technofeestje zit bijna iedereen aan de drugs. Maar van mij weet iedereen het.”

De positieve dopingtest van korfballer Sven van Baggum maakte een einde aan zijn sportcarrière. „Ik werd onhoudbaar, een boef. Ik vluchtte in drank en nam een snuifje, dan vergat ik alles even.”
De positieve dopingtest van korfballer Sven van Baggum maakte een einde aan zijn sportcarrière. „Ik werd onhoudbaar, een boef. Ik vluchtte in drank en nam een snuifje, dan vergat ik alles even.” Foto Annabel Oosteweeghel

Een zaterdagavond in november, drie jaar geleden. Sven van Baggum, dan 24 jaar oud, staat met een vriendengroep op een technofeest. „We waren zo dronken dat we bijna niet meer op onze benen konden staan.” Een vriend drukt hem een envelopje met cocaïne in zijn handen. Zonder na te denken herhaalt hij wat hem is voorgedaan. Midden op de dansvloer steekt hij een sleutel in het witte poeder. „Niemand keek ervan op, iedereen deed het. Het was mijn eerste keer, maar ik wilde het altijd al eens proberen.”

Daarna voelt hij zich goed, „euforisch, het mannetje”. Die avond denkt hij nog niet aan de gevolgen, dat komt pas de volgende ochtend. „Ik logeerde bij een teamgenoot, die mee was naar het feest en ook gebruikte. Toen we wakker werden, dachten we meteen aan korfbal. Mijn wereld stortte in. Je weet dat je altijd gecontroleerd kan worden.” Twee weken later, na pas zijn vierde wedstrijd op het hoogste niveau bij de Eindhovense vereniging DSC, test hij positief op doping.

Bijna een derde van alle positieve dopingtests in Nederland van de afgelopen tien jaar waren het gevolg van drugs, blijkt uit een analyse van jaarverslagen van de Nederlandse Dopingautoriteit door NRC. Recreatieve drugs zijn verboden omdat ze sportprestaties positief kunnen beïnvloeden en slecht zijn voor de gezondheid. Volgens Herman Ram, voorzitter van de Dopingautoriteit, zijn veel van dit soort overtredingen echter „onbedoelde bijvangst”. De dopingorganisatie wil sporten zuiver en eerlijk houden, maar sporters daarbuiten niet verbieden recreatieve drugs te gebruiken.

61 sporters positief

Cocaïne kan zorgen voor een alerter en energieker gevoel, heroïne verdooft pijn en cannabis kan faalangst onderdrukken. Bestanddelen van drugs kunnen lang vindbaar blijven in bloed en urine, terwijl de werking al is verdwenen. Hoe lang precies, verschilt per persoon en soort drugs. Daardoor kan een sporter in zijn vrije tijd, wanneer recreatief gebruik volgens de dopingregels is toegestaan, drugs gebruiken en weken later rond een wedstrijd positief testen.

Bij opzettelijk gebruik is de maximumstraf na een positieve dopingcontrole vier jaar. Indien een dopinggeval met drugs niet is bedoeld om de sportprestatie te verbeteren, bedraagt de maximale schorsing twee jaar. Er zijn een aantal bekende sporters die werden betrapt op drugsgebruik. Voormalig tophockeyer Jesse Mahieu testte in 2012 positief op cocaïne en mdma. Hij werd een jaar geschorst en stopte met hockeyen op het hoogste niveau. Turner Yuri van Gelder werd in 2009 ook betrapt op het gebruik van cocaïne en een jaar geschorst.

De meeste drugsgerelateerde overtredingen vonden de afgelopen tien jaar plaats in het basketbal (7), bij krachtsporten (7), biljart (6), rugby (6), motorsport (4) en cricket (4). Bij 61 van de 208 sporters die werden betrapt op doping, zaten sporen van drugs in de urine.

Volgens Ram zijn de gevolgen van recreatief drugsgebruik „een terugkerend thema in voorlichtingen”. Het grote aantal positieve tests door drugsgebruik is geen verrassing voor de voorzitter van de Dopingautoriteit. Hij wijst als verklaring naar het drugsgebruik in Nederland. „Het is niet raar dat sporters zich in dat opzicht niet heel fundamenteel onderscheiden van andere mensen.”

Om de circa 20.000 Nederlandse (prof)sporters die in aanmerking komen voor dopingcontroles te bereiken, is de Dopingautoriteit onder meer afhankelijk van de sportbonden en bereidheid van sporters om digitale voorlichting te raadplegen. Dat laatste is volgens Ram voldoende beschikbaar. „Ik zou haast niet weten wat we nog meer kunnen doen.” Vooral in sporten waar doping als minder relevant wordt gezien, is bewustwording lastig.

Tuchtcommissie

Drie weken na de positieve test van korfballer Sven van Baggum (27) ploft er een brief van de Dopingautoriteit op zijn mat. „Ik las alleen de straf: vier jaar schorsing.” De hoogste straf die een sporter kan krijgen voor een opzettelijke dopingovertreding. „Ze vroegen of ik me wilde verantwoorden. Maar er viel niets te verweren. Ik kon moeilijk zeggen dat het per ongeluk in mijn neus terecht was gekomen.”

Na een tweede brief besluit hij toch voor een tuchtcommissie te verschijnen. Een betrapte sporter kan daar proberen aan te tonen dat het om recreatief drugsgebruik gaat. „Dat is in het ene geval makkelijker dan in het andere”, legt Ram uit. „Zijn er getuigen? Is er onderbouwing? Is het wel of niet logisch dat in die sport een bepaalde stof wordt gebruikt om prestaties te bevorderen?” Ook een kleine hoeveelheid kan wijzen op recreatief gebruik en daarmee in het voordeel van de sporter werken.

Het lukt Van Baggum de commissie te overtuigen dat hij de drugs niet gebruikte voor prestatiebevordering. „Als je de avond voor de wedstrijd wat neemt, dan word je daar niet beter door. Je gaat er écht niet beter van sporten, je bent alleen maar brak.” Zijn schorsing wordt teruggebracht naar anderhalf jaar.

Foto Annabel Oosteweeghel

Tijdens zijn schorsing wil Van Baggum trainen en een jeugdteam coachen, maar ook dat is verboden. „Korfballen is niet als fietsen. Als je anderhalf jaar niet fietst, en je stapt er weer op, kan je het weer. Dat is met korfbal niet zo, dan raak je uit vorm.” Hij verliest het contact met zijn teamgenoten omdat hij niet meer welkom is op zijn club. „De club wilde een statement maken. Maar al mijn vrienden waren korfballers. Die zag ik ineens niet meer.”

Door zijn straf raakt een korfbalcarrière uit het zicht. Zijn relatie lijdt er zo ernstig onder dat die strandt. „Ik werd onhoudbaar, een boef. Ik vluchtte in drank en nam een snuifje, dan vergat ik alles even.” Na een half jaar zoekt hij op aandringen van zijn ouders psychische hulp.

Daar leert hij te accepteren dat mensen hem anders zien dan hij zou willen. Want de meeste pijn zit hem niet eens in de schorsing, of het verliezen van zijn vriendin. Nadat het Eindhovens Dagblad over zijn positieve dopingtest schrijft, weet iedereen het. „Ik schaamde me omdat er stond dat ik gepakt was met doping. Liever had ik gehad dat er stond dat ik drugs had gebruikt. Op een technofeestje zit bijna iedereen aan de drugs. Maar van mij weet iedereen het.”

Versoepelde regels

Wereldwijd hebben antidopingorganisaties en sportbonden de afgelopen jaren kritiek geuit op de in hun ogen buitenproportionele straffen die op recreatief drugsgebruik staan, en de tijdrovende tuchtprocedures waarin de duur van een schorsing moet worden bepaald. „Wat wij doen, moet te maken hebben met de sportprestatie”, zegt voorzitter Ram. „Wij zijn er niet om de drugsproblematiek op te lossen.”

De jarenlange onvrede resulteerde vorige maand in een wijziging van het reglement door wereldantidopingagentschap WADA. Vanaf 2021 wordt een standaard schorsing van drie maanden opgelegd als drugsgebruik niet ter bevordering is van de sport. Stemt een sporter in met een rehabilitatieprogramma, dan wordt de uitsluiting van wedstrijden en trainingen verlaagd tot één maand.

In 2013 verhoogde de WADA al eens de drempelwaarde om positief te testen op cannabis, eveneens onder druk van de aangesloten organisaties. In Nederland leidde dat sindsdien tot een afname van het aantal dopinggevallen met cannabis. Waar eerst jaarlijks ongeveer zeven sporters op cannabis werden betrapt, is dat er nu vaak niet meer dan één.

Foto Annabel Oosteweeghel

De verschillende dopingorganisaties die pleitten voor lagere straffen zijn van mening dat drugsgebruik voornamelijk een maatschappelijk probleem is. De oplossing daarvoor ligt volgens hen niet bij de sport. Toch vragen bonden en verenigingen die vermoeden dat hun sporters drugs gebruiken, de Nederlandse Dopingautoriteit weleens om extra controles uit te voeren. De dopingorganisatie gaat nooit op dergelijke verzoeken in. Ram: „Komen we het tegen, dan moeten we het afhandelen. Dat doen we dan ook strak en correct. Maar het is niet iets wat we opzoeken.”

Die nieuwe regels komen voor Van Baggum te laat. Tijdens zijn schorsing ging hij werken als bezorger voor een supermarkt. Een jaar geleden nam hij ontslag en begon hij een eigen schildersbedrijf. De zaken gaan goed, hij heeft een nieuwe vriendin met wie hij samenwoont in Den Haag. „Maar die avond achtervolgt me nog steeds.” Als nieuwe klanten zijn naam intikken op Google, bijvoorbeeld. Dat leidt tot argwaan en vragen ze hem soms om uitleg.

Of op het korfbalveld bij Pernix in Leiden, waar hij tegenwoordig samen met zijn beste vrienden speelt. „Ik hoor het nog elke wedstrijd uit het publiek. Dan roepen ze ‘snuiver’ of ‘cocaïnegebruiker’. Ze willen dat ik me laat kennen, maar dat gun ik ze niet. Die fractie van een seconde heeft al genoeg van mijn leven verpest.”