Opinie

De Unie kan zichzelf niet niet heruitvinden

Luuk van Middelaar

Terwijl Ursula von der Leyen en Charles Michel zondag aantraden als voorzitters van de Commissie en de Europese Raad, vierde Brussel ook het tienjarige Verdrag van Lissabon – de ‘EU-grondwet’ die geen grondwet meer mocht heten, na de Franse en Nederlandse nee-stem uit 2005.

Groot was de opluchting toen de nieuwe spelregels na jaren debatteren op 1 december 2009 van kracht werden. Een diplomatieke dienst, een vaste toppenvoorzitter en een door het Parlement gekozen Commissievoorzitter moesten de EU besluitvaardiger en daadkrachtiger maken.

Binnen enkele maanden brak de pleuris uit, met de eurocrisis van voorjaar 2010. Alsof Vrouwe Fortuna sprak: „Laat maar zien, Europa, dat je kunt handelen!” Sindsdien meldde zij zich in Europa met ordeverstoringen uit alle windrichtingen – Russisch landjepik in het oosten, een vluchtelingenstroom uit het zuidoosten en de dubbele rechtse van Brexit & Trump uit het Atlantische westen. Crisis als het nieuwe normaal. Past Europa’s constitutionele vorm nog bij deze situatie?

De eerste Europese-Raadsvoorzitter, Herman Van Rompuy (2009-’14), grapte aanvankelijk vaak: „Ik zal sterven onder het Lissabonverdrag – en ben van plan heel lang te leven.” Maar al vóór eind 2010 werd besloten tot een „chirurgische ingreep” in het verdrag. De lidstaten wilden voorzieningen om de euro te redden, zonder voor het Hof te eindigen vanwege de zogeheten no-bailout-clausule, die bepaalt dat landen niet voor elkaars schulden verantwoordelijk zijn. Er kwamen twee zinnetjes bij. Latere noodgrepen voor de euro kregen echter hun beslag buiten het verdrag. De Britten gebruikten hun veto en niemand had trek in een institutioneel debat. De angst voor referenda zat diep. Andere crises doorstond het Lissabonverdrag eveneens.

Toch verdwijnt de roep om constitutionele vernieuwing nooit. Druk komt vandaag van drie zijden. Ten eerste de geopolitieke situatie: het besef van Europa’s kwetsbaarheid – deze week dankzij president Macron centraal op de NAVO-top – stimuleert plannenmakerij, van minder veto’s in het buitenlandbeleid tot een Europese Veiligheidsraad. Een beetje sleutelen in EU-verband kan, maar het zware werk niet. Als Europese landen samen meer aan veiligheid willen doen, al dan niet binnen de NAVO, kan dit niet zonder het Verenigd Koninkrijk – naast Frankrijk het enige West-Europese land met een serieus leger. Dus kan dit na Brexit enkel buiten de EU om.

Ten tweede houdt de druk op het Lissabonverdrag aan vanwege de euro. In Brussel wil men de houtje-touwtje-oplossingen uit de crisisjaren netjes in het verdrag onderbrengen. Dat lukt misschien, maar zware ingrepen niet. In Noord-Europa bestaat zo veel weerstand tegen financiële risicodeling met Zuid-Europa dat alleen een acute crisis tot doorbraken kan leiden; en juist dan is er geen geduld voor ratificaties. Dat wordt dus improviseren.

De derde bron van vernieuwing is publieke kritiek op Europa. Sinds 2009 hebben de kiezers veel te verstouwen gehad, slecht nieuws vanwege euro of migranten, nieuwe eisen aan de EU vanwege klimaat en China. Diffuse onvrede vertalen in instituties is lastig. Toch gaat dit gebeuren. Het Parlement was boos dat de regeringsleiders na de Europese verkiezingen winnende Spitzenkandidat Manfred Weber (EVP) afschoten als Commissiebaas. Als troost kreeg het de belofte van een ‘Conferentie over de toekomst van Europa’. Parijs en Berlijn willen dat deze zich van 2020 tot 2022 buigt over instellingen en beleid. Dit wordt geen tandeloze praatclub. Ervaren politici zullen de krachten voor verandering ombuigen in juridische vormen. Dat het Lissabonverdrag deze opening biedt, is een troef. Zoals de conservatieve denker Edmund Burke in 1790 schreef: „A state without the means of some change is without the means of its conservation.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en hoogleraar Europees recht (Leiden).

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.