Recensie

Recensie Beeldende kunst

Wie was deze mysterieuze rijkste man ter wereld?

Calouste Gulbenkian Deze mysterieuze tycoon verwierf een fortuin met olie en kunst. Hoe werd hij de rijkste man op aarde?

Deze mysterieuze tycoon vergaarde een fortuin met olie en kunst. Hoe werd hij de rijkste man op aarde?
Deze mysterieuze tycoon vergaarde een fortuin met olie en kunst. Hoe werd hij de rijkste man op aarde? Foto: Wikipedia

In tijden van hevige geopolitieke turbulentie gaan velen kopje onder. Maar er zijn ook altijd een paar mensen die op de hoogste golven meesurfen en ver komen. Zo iemand was Calouste Gulbenkian, de Armeniër die westerse oliebedrijven naar olievelden in het Midden-Oosten leidde en een fortuin vergaarde door bij elke overeenkomst een commissie van vijf procent te incasseren.

‘Mr Five Per Cent’ maakte twee wereldoorlogen mee, financiële crashes, handelsoorlogen. Het Ottomaanse Rijk, zijn geboorteland, stortte ineen. Zijn volk werd gedecimeerd. Toch werd Gulbenkian (1869-1955) de rijkste man ter wereld, met een adembenemende kunstcollectie. Hoe deed hij dat?

In een tijd waarin geopolitieke wervelwinden weer aanloeien, is het de moeite waard om Jonathan Conlin’s biografie Mr Five Per Cent. The Many Lives of Calouste Gulbenkian, the World’s Richest Man te lezen. Gulbenkian werd geboren in een wereld waarin kapitaal, goederen en personen vrijelijk grenzen over gingen. Als kind van een Armeense textielhandelaar in Istanbul was hij een citizen of nowhere, een kosmopoliet. Hij deed eindexamen in Marseille en studeerde aan King’s College in Londen. Terwijl de wereld ineenstortte, bouwde hij een imperium op alshonest broker tussen Middenoosterse machthebbers met exploiteerbare oliebronnen en oliebedrijven als Shell, Anglo-Iranian en andere die (veelal onder andere naam) nog altijd bestaan.

Oliebaronnen

Conlin beschrijft hoe Gulbenkian hielp om Shell groot te maken – hij was een tijdlang close met voormalig topman Henri Deterding. Men noemde Gulbenkian wel eens een ‘olieman’, maar hij bezocht slechts eenmaal een olieveld, in Bakoe. Hij was meer een netwerker, en verbond oliebaronnen en regeringen met elkaar. Als er contracten werden gesloten, had hij ze vaak opgesteld. Volgens Conlin was hij een harde onderhandelaar, met scherp oog voor juridische of geografische details waar anderen overheen keken. Zijn motto was: Check, check, check.

Gulbenkian, wiens stichting en kunstcollectie na zijn dood in 1955 in Lissabon werden ondergebracht, was een solitair man vol tegenstrijdigheden. Als Armeniër in het rijk van de Sultan was hij altijd op zijn hoede voor discriminatie of pogroms. In Europa liepen sentimenten tegen migranten, zelfs als ze in weelde leefden, ook toen soms hoog op. Gulbenkian had vier paspoorten en cultiveerde altijd goede betrekkingen met de autoriteiten. Hij bezat diverse huizen, waaronder een soort fort aan de Parijse Avenue d’Iéna dat van alle gemakken was voorzien, maar hij sliep altijd in hotels. De bedienden wisten dat hij nooit op hetzelfde tijdstip wilde eten als zijn vrouw Nevarte, telg van een andere invloedrijke Armeense familie. Met zijn kinderen, Nubar en Rita, had hij moeizame relaties. Nubar, een dandy, voerde verschillende rechtszaken tegen zijn vader. Gulbenkians beide broers klopten bij hem aan voor hulp. Maar hij hield ze behoorlijk kort.

Normandische tuin

Conlin, die toegang had tot het archief van de stichting Gulbenkian, heeft moeite om de man achter de tycoon te pakken te krijgen. Hij is de enige niet. Nu het honderdvijftig jaar geleden is dat Gulbenkian werd geboren, heeft de stichting in Lissabon een tentoonstelling opgezet over hem (tot 31 december). Het begeleidende tekstje begint met de vraag: ‘Hoe stel je een leven tentoon van iemand die zichzelf niet wenste te tonen?’ Aan de hand van foto’s, reisnotities, brieven en gereedschap uit zijn Normandische tuin (zijn favoriete plek, compleet van de wereld afgesloten) krijg je enig beeld. Maar zelfs hier blijft de echte Mr Five Per Cent grotendeels voortvluchtig.

Gulbenkian bouwde zijn kunstcollectie op met oliegeld – de stichting krijgt er nog inkomsten van. Die kunst kwam deels uit Sint-Petersburg: toen de Sovjet-Unie krap bij kas zat, hielp Gulbenkian Moskou om schilderijen aan buitenlanders te verkopen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog belandde hij, zoals zoveel vluchtende Europeanen, in het ‘neutrale’ Lissabon. Musea in Londen en New York aasden op de collectie. Maar daar moest hij meer belasting betalen dan in Portugal, dus de deals ketsten af. Daarna onderhandelde hij met de Portugese dictator Salazar, die ook op zwart zaad zat. Gulbenkian mocht zijn stichting, die internationaal van karakter moest zijn, voor een prikje in Lissabon vestigen. Wel eiste Salazar een meerderheid van Portugezen in het bestuur. Ook moest dertig procent van alle sociale projecten in het straatarme Portugal worden uitgevoerd.

Toen stierf Gulbenkian. Er stond, onkarakteristiek, niets op papier. Salazar manipuleerde prompt de erfgenamen en kreeg zijn zin. Gulbenkian had zich in zijn graf omgedraaid. Maar de stichting en het Museu Calouste Gulbenkian – met schilderijen, sculpturen, toegepaste en decoratieve kunst en tekeningen vanaf de Middeleeuwen tot de negentiende eeuw – horen nog altijd tot de culturele parels van Portugal. En de rijkste, natuurlijk.