Opinie

De aap op je schouder

Tommy Wieringa

Maarten ’t Hart en Jules Deelder schelen maar een dag. Het bleef niet onopgemerkt dat ze vorige week allebei 75 werden. De een greep de gelegenheid aan om Bas Heijne en mij uit te vloeken, de ander haalde uit naar Astrid Roemer en Rob van Essen – unisono foeterden ze ten slotte op Ilja Leonard Pfeijffer en Connie Palmen. Misschien had het ermee te maken dat op beide verjaardagen de prijzen die ze misliepen ter sprake kwamen, altijd een ongezellig onderwerp. ’t Hart werd op Tzum de ‘niet overmatig met prijzen bedeelde’ genoemd en Deelder kreeg in HP/De Tijd de vraag waarom hij nog nooit een belangrijke prijs had gewonnen. De jury’s hadden het mis, zeiden ze, de lui ‘die boekenkasten doorspitten en er ook geen kloten van begrijpen’ (Deelder), en de rare bekroningen door dat ‘allegaartje van mensen die voor de krant schrijven, een paar academici en – als het een Nederlandse literatuurprijs is – een Vlaming’ (’t Hart).

Het mislopen van literaire prijzen noemde Gerrit Komrij ooit een aap op je schouder. De meeste mensen krijgen nooit een prijs, als schrijver betreed je een domein waar heel veel prijzen te verdelen zijn. Sommigen krijgen ze allemaal, anderen reiken hun leven lang vergeefs naar de vruchten boven hun hoofd.

Het is slecht voor je humeur om een prijs niet te krijgen. Het jurymodel werkt chagrijn in de hand. Soms lijkt een prijs al voor het grijpen en gaat hij toch weer naar een ander. Niet voor niets vergeleek de Boeddha onze begeertes met een aap die van tak tot tak springt.

Zowel bij Deelder als ’t Hart was het de gramstorige aap die sprak. Gebrek aan erkenning van vakgenoten weegt zwaarder dan een miljoen verkochte exemplaren van Een vlucht regenwulpen. De krenking is van duurzamer materiaal gemaakt dan het compliment.

Uit de tijd dat ik geregeld prijzen misliep herinner ik me kleine geweldsuitbarstingen – straatmeubilair meestal. Nooit zal ik het Libris-jurylid vergeten dat voorafgaand aan de uitreiking in het Amstelhotel in mijn oor fluisterde: „Jij hebt zo’n prijs toch al lang niet meer nodig.”

Kind van Richelieu en graaf Slis, denk ik elke keer als ik hem zie.

Soms wordt er in het prijzencircus een onrecht begaan dat niet meer te herstellen valt. Kort voor zijn dood hoorde Menno Wigman dat hij de Ida Gerhardt-prijs zou krijgen. Mooi, maar als genoegdoening voor alle keren dat hij de VSB-poëzieprijs zo onterecht niet kreeg, zal hij het niet ervaren hebben. Toen zijn verzameld werk onlangs door het DWDD-boekenpanel werd gekozen tot boek van de maand, was dat natuurlijk een terechte keuze, maar ook too little, too late.

In de Frankfurter Allgemeine werd in oktober de schrijver-dichter Wolf Wondratschek geïnterviewd. Hij, ook halverwege de zeventig, wordt in Duitsland ‘de zelden bekroonde’ genoemd. Een bloemlezing uit de vragen die hij kreeg voorgelegd: ‘Zelfs mensen die het niet goed met u menen, vinden dat u opvallend weinig prijzen gekregen hebt’. En: ‘Beleefde u plezier aan de paar onbeduidende prijzen die u gekregen hebt?’ ‘En: ‘Een niet-prijsdrager wordt men niet van de een op de andere dag. Hoopt u nog weleens op een prijs?’ En: ‘Stel dat u een prijs mocht kiezen, welke zou dat zijn?’ En ten slotte: ‘U bent nu midden zeventig. De literatuurcriticus Volker Weidermann schreef een paar jaar terug dat u rekening houdt met erkenning na de dood. Is dat zo?’

De hel, dat zijn de anderen. Dit was geen interview, dit was iemand langzaam, vraag voor vraag zijn nagels uittrekken. Dit was geen interview maar een tribunaal over de waarde van een oeuvre. Dat is wat er gebeurt als we onze waarde in handen van de ander leggen. Lijden op lijden gestapeld, belediging bij belediging gevoegd. Wondratschek bleef elegant onder de smerige demonstratie van Schadenfreude, maar je hoorde de aap tandenknarsen.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.