Opinie

Rotterdam, staar je niet blind op die nieuwe stadsbrug

Bij het recente besluit dat er een nieuwe stadsbrug komt, is onvoldoende gekeken naar oplossing van het regionale fileprobleem, zegt Oscar Blankenstein.

Illustratie Stella Smienk
Illustratie Stella Smienk

In juli bereikten de Metropoolregio Rotterdam Den Haag, de provincie Zuid-Holland en de gemeente Rotterdam een akkoord over de komst van een oeververbinding tussen Rotterdam-Kralingen/ De Esch en -Feijenoord/ IJsselmonde. Remco Dijkstra, VVD Tweede-Kamerlid en portefeuillehouder Infrastructuur en Waterstaat, reageerde daar vorige week kritisch op. Voor deze verbinding over of onder de Nieuwe Maas is al 480 miljoen euro gealloceerd, waarvan 200 miljoen euro door de Rijksoverheid gefinancierd moet worden. Ook is er het voornemen om 90 miljoen euro vrij te maken voor de zogeheten Algeracorridor, een infrastructurele verbinding tussen de van Brienenoordbrug en Algerabrug, waarvan (nog) niet duidelijk is wie dit zal gaan financieren. Ook de Rijksoverheid?

Als Rotterdammer onderschrijf ik de mobiliteitsproblematiek van mijn stad en haar omliggende regio’s (oostelijk en zuidelijk), maar ik heb grote twijfels of een stadsbrug de oplossing is voor deze regionale kwestie. De vraag zou immers moeten zijn: hoe dragen we zorg voor betere mobiliteit en lossen we de enorme filedruk op. In plaats van: hoe kan de Rijksoverheid bijdragen aan een voor Rotterdam iconische stadsbrug.

Om tot een zinvol alternatief te komen voor de huidige oeververbindingsplannen is het noodzakelijk uit te zoomen van de stad naar de regio. De huidige drukte op de A16 en de Van Brienenoordbrug wordt niet veroorzaakt door een dagelijkse stroom forenzen die van Rotterdam Zuid naar De Esch reizen en vice versa. Ook de verbreding van de Algerabrug draagt niet noodzakelijkerwijs bij aan ontlasting van de A16. Het autoverkeer vanuit de Krimpenerwaard moet immers nog steeds over de Van Brienenoordbrug om Ridderkerk en zuidelijker locaties te bereiken.

Met het oog op een duurzame toekomst is een snelle, hoogwaardige interstedelijke openbaar vervoerverbinding van groot belang. Niet alleen Kralingen/ De Esch en Zuid (Feijenoord en IJsselmonde) zullen hierdoor beter bereikbaar worden en dus aantrekkelijker, maar de gehele corridor waarlangs dit openbaar vervoersnetwerk wordt aangelegd. Dit biedt dus ook op termijn meer kansen om het grote verdichtingsvraagstuk, waar alle randstedelijke gemeenten mee kampen, het hoofd te bieden. Dit in tegenstelling tot slechts de één enkele verbinding tussen de genoemde Rotterdamse stadswijken.

Twee uitstekende voorbeelden hiervan zijn de Randstadrail en de Hoekse Lijn, al geniet uiteraard vanuit omgevings- en leefbaarheidsoogpunt een ondertunnelde variant altijd de voorkeur. Voorts is geen enkele gebruiker of inwoner gebaat bij de aanleg van een esthetische oeververbinding terwijl het stedelijk weefsel op de oevers waar de brug landt onvoldoende geschikt is om de nieuwe verkeersstroom efficiënt te kunnen verwerken.

Stel dus duurzaamheid, reductie van CO2-uitstoot en een regionale aanpak centraal bij het zoeken naar de juiste uitkomst, in plaats van de blinde focus op een prestigeproject voor de maasstad alleen: dat levert een meer toekomstbestendige oplossing op.

Als betrokken inwoner van Rotterdam en vanuit mijn professionele interesse heb ik deelgenomen aan het door de gemeente aangeboden participatietraject over dit onderwerp. Tijdens de georganiseerde sessies en inspraakavonden kwam een regionale aanpak van de mobiliteitsproblematiek niet of nauwelijks aan de orde en leek het besluit tot realisatie van de brug al op voorhand genomen. Velen waren met mij van mening dat deze ‘kort door de bocht’ benadering onvoldoende onderbouwing biedt voor deze keuze: werkgroepen, bewonersorganisaties en actiecomités. Tussen alle eerder verschenen himmelhoch jauchzende nieuwsberichten en reacties op het bereikte akkoord van juli 2019, is die van de VVD-fractie de enige die van een bredere visie getuigt dan het ‘wij willen een brug’.

(Maatschappelijk) Econoom, Rotterdam