Recensie

Recensie

Tiki-taka in de bijbel van de vergeten voetballers

Frank Heinen Schrijver Frank Heinen bewijst met Buiten de lijnen de titel „chroniqueur van het vergeten voetbal” te kunnen dragen – met verve.

De Duitse voetballer Otto Harder (rechts), hier rond 1930 gefotografeerd, kreeg vroeger stokslagen van zijn vader toen die ontdekte dat zijn zoon voetbalde.
De Duitse voetballer Otto Harder (rechts), hier rond 1930 gefotografeerd, kreeg vroeger stokslagen van zijn vader toen die ontdekte dat zijn zoon voetbalde. Foto Getty Images

Otto Harder herinnert zich de paarden nog het best: de ribben die door de vacht steken, de creperende lichamen die in de Vlaamse modder worden achtergelaten. Hij is ertegen gewapend, inmiddels. Door de oorlogsjaren verdween de voetballer, die hij ooit was. De vechter bleef. Hij is meer lichaam dan geest. Een machine. „De gebeurtenissen van de afgelopen jaren hebben zijn binnenwereld gesnoeid”, schrijft Frank Heinen.

Voetballer Otto ‘Tull’ Harder is een van de ‘vergeten voetballers’ die Heinen portretteert in Buiten de lijnen, de bijbel van vergeten voetballers. En het verhaal van Harder is schrijnend. Zo wordt beschreven hoe hij stokslagen krijgt van zijn vader, wanneer die ontdekt dat zijn zoon ondanks zijn verbod voetbalt; hij gelooft dat voetbal is uitgevonden door Joden en Britten om de Duitse moraal te verzwakken. Heinen behandelt meer bijzondere levensverhalen. ‘Dit is geen boek over voetbal’, opent hij Buiten de lijnen dan ook, alsof hij zich distantieert van de sportjournalistiek. Zijn voorwoord besluit Heinen bovendien met de vaststelling dat meer verhalen niet dan wel in zijn boek belandden. Toch blijven er bijna zeshonderd pagina’s over, met ruim 170 portretten over voetballers. Het boek opent in 1870, eindigt in het IS-kalifaat en handelt ertussenin over voetballers variërend van tsaristisch Rusland tot Zuid-Amerika. Dat maakt het lezen tot een feest, al kunnen enkele vraagtekens geplaatst worden bij de selectie.

In de honderden pagina’s komen bijvoorbeeld amper vrouwen aan bod. „De aandacht voor hun prestaties was tot voor kort nihil”, verklaart de auteur. Er valt het een en ander aan te merken op de verklaring om vrouwenvoetbal om die reden buiten beschouwing te laten. Er zijn talloze verhalen over vrouwenvoetbal voor handen – Vera Pauw speelde al in de jaren tachtig als prof in Italië, bijvoorbeeld. Bovendien, voor onderwerpen die weinig aandacht krijgen, kan een schrijver tonen waarom het juist wél belangstelling verdient. Zeker voor iemand die zichzelf tot doel stelt een boek af te leveren dat kan „toevoegen aan de voetbalbibliotheek die toch al voor een aanzienlijk deel uit hervertellingen bestaat”.

Plakboek

Een tweede punt betreft de ruime selectie. Midden in het boek schrijft Heinen soms te twijfelen „aan mijn vermogen (of mijn oprechte wil) om [een] leven helemaal te doorgronden”. Die twijfel dreigt bij een enkel kort portret aan de oppervlakte te komen, in de verhalen over Hussein Hegazi en Max Woosnam bijvoorbeeld. Bij dit soort zeer korte portretjes krijgt de bundeling bij vlagen iets van een plakboek, zoals grootvader een fotoalbum laat zien: voor de kleinkinderen interessant, maar het behoort een particuliere aangelegenheid te blijven.

Tegelijkertijd leiden sommige (zeer) korte portretten tot stilistische hoogstandjes. Het portret van Géza Kertész, ‘de Schindler van Catania’ bijvoorbeeld, is een stuk van één zin, over een oorlog en een leven en vele vertellingen daarbinnen. Heinen speelt met vorm, als een coach die een opstelling formeert: soms een gedicht, soms een rijm, een enkele biografie-in-quiz-vorm.

In de langere verhalen komt het schrijverschap van Heinen het best tot zijn recht. Met grondig onderzoek voegt hij iets toe aan de opmerkelijke faits divers of neemt de lezer mee in een verhaal dat aan grote thema’s raakt, dat verrast of intrigeert.

Zoals het verhaal van Harder en Asbjorn Halvorsen, waarin een deel van de Europese geschiedenis van de twintigste eeuw vervat zit. Of het portret van Eric Frimpong, dat niet over voetbal gaat, maar over raciale ongelijkheid in Amerika, over juridische onzekerheid en gerechtelijke dwalingen. Het zijn verhalen uit een wereld waar stadions ver verdwenen zijn en het gejuich is verstomd, en verstild.

Voetbal als bijzaak

Bij sommige verhalen is de link met voetbal zo dun, dat het welhaast lijkt alsof Heinen een excuus nodig had om te schrijven: een voetbalboek waar voetbal bijzaak is. Dat klinkt gek, maar het kan, in een wereld waar Heinen heer van is.

De stukken zijn gelardeerd met goed gevonden metaforen, zoals een verouderd stadion waar de tribunes „lui naar achteren leunen”. Ook komt Heinen met fijne, scherpe observaties: als het bijvoorbeeld niet botert tussen twee spelers, stelt hij dat „de spanning tussen hen is als een niet te versjouwen meubelstuk in de kamer”. Problemen hebben zich in levens vastgedraaid als „een schoenveter in een pedaal”. Zinnen swingen als het tiki-taka van Barcelona, met Heinen als vleugelaanvaller: een estheet, zo’n speler die de bal nog even hooghoudt, een extra passeerbeweging maakt, en boem-pats, de bal dán pas met een perfecte boog voor de goal legt.

Dribbel door het leven

Heinen schrijft naar zijn beste vermogen over voetbal en neemt daarmee een dribbel door het leven: passje opzij, Wereldoorlog I, tikkie breed, Britse ontdekkingsreizen, stapje terug, Spaanse Burgeroorlog, bal over de breedte: Arabische Lente.

Voetballers zijn, volgens Heinen, mensen die blijven spelen en erin slagen iets te realiseren waar ieder van droomde: ze conserveren al spelende een stukje jeugd. Daarin klinkt de jongen door die Heinen ooit was, een puber die zijn droom verloor.

Buiten de lijnen bevat met ruim 170 portretten de bijeengeraapte scherven; het boek is niet gebonden door thema, geografie, club of land. Het is de pen van Heinen die het boek bijeenhoudt. Al schrijvende worden de scherven gelijmd: het is voetbal op zijn best, en de reparatie van zijn eigen droom – en die van de voetbalminnende lezer.