Opinie

Over de rails van tramlijn 16

Intussen in Amsterdam

De Britse schrijver woonde enige tijd in Amsterdam. Tot zijn ontzetting blijkt tramlijn 16 opgeheven.

Voor het eerst in jaren weer eens in Amsterdam, hoor ik tot mijn ontzetting dat tramlijn 16 niet meer bestaat. Blijkbaar is die opgeheven om mensen te bewegen de Noord/Zuidlijn te gebruiken. Steden veranderen nu eenmaal en dan raakt onze geestelijke landkaart verstoord; dat hoort bij het leven.

Toch heeft het bericht over lijn 16 me getroffen alsof het over de dood van een oude vriend ging. Ik woonde destijds in de Hacquartstraat (Oud-Zuid) en werkte hard aan mijn boek over het Nederlandse ‘totaalvoetbal’, dat in het jaar 2000 zou verschijnen als Brilliant Orange, the Neurotic Genius of Dutch Football. Ik had een vast ritme. De ochtenden waren om te slapen, de middagen voor research en interviews, de avonden om te eten. En in het holst van de nacht schreef ik.

De trams van lijn 16, in die dagen geel in plaats van het latere wit met blauw, rolden op en neer door de naburige De Lairessestraat. Door een opening in de huizen achter mijn appartement kon ik ze zien. Overdag hoorde ik ze nooit. Maar ’s avonds, als de buurt in slaap viel, werd hun zachte geratel een soort ouverture. Als ze ophielden, viel de stilte. En dat was voor mij het teken om te gaan schrijven.

Sommige nachten ging dat beter dan andere. Heel af en toe was het proces zo heftig dat ik in een soort ‘schrijfextase’ raakte. Het leek wel of ik helemaal niet schreef, maar of de woorden heel ergens anders vandaan door me heen kwamen stromen, alsof mijn onderwerp zichzelf schreef. Om een uur of vier, vijf ’s ochtends plofte ik dan in bed en kon de 24-uurscyclus opnieuw beginnen.

Er liggen nog wel glimmende rails in de De Lairessestraat, maar daarover rijden geen trams meer. Maandagavond laat, toen er geen verkeer was, liep ik ertussendoor en probeerde het tramgeluid weer in me op te roepen.

De volgende dag zat ik in het – voor mij ook nieuwe – café in de glazen flank van het Concertgebouw aan het Jan Willem Brouwersplein, naast de opgeheven halte van lijn 16. Ik vond altijd al dat hier een café zou moeten zijn en nu wás het er. Ik was van plan er dit stuk te schrijven, maar ik werd overspoeld door herinneringen en het lukte niet.

Ik dacht terug aan de fysiotherapiepraktijk van Salo Muller, daar rechts, waar ik onder de warmtedeken lag. Ik dacht terug aan het gebouw van de Joodse studenten en de apotheek, en aan het blok met de gebogen tuinen, zo ontworpen dat ze allemaal dezelfde hoeveelheid zonlicht kregen. Ik dacht terug aan de wandel- en fietstochten toen ik alleen was, en met vrienden en vriendinnen, van wie sommigen niet meer leven. Ik dacht terug aan Johnny Rep, mijn favoriete geïnterviewde in het boek, die shirtnummer 16 had.

Gisteren dronk ik koffie met een oude vriend die me vertelde over het boek Exercices de style van Raymond Queneau uit 1947, waarin een onbeduidend voorval wordt beschreven in 99 verschillende literaire stijlen – als ambtelijk epistel, spookverhaal, blijspel, een verhaal waarin niet één keer de letter ‘e’ voorkomt, en nog 95 varianten. Het voorval is dit: een man beklaagt zich dat hij in de trein een duw krijgt, bezet snel een lege zitplaats en wordt later ergens anders gezien. Het ‘ergens anders’ is het Gare Saint-Lazare in Parijs.

Mijn vriend zei dat ik de Nederlandse vertaling van Rudy Kousbroek maar eens moest opzoeken, want misschien zou die wel van belang zijn. En zo ben ik vandaag opnieuw in hetzelfde café in de hoop inspiratie op te doen.

Ik heb net Kousbroeks 99 Stijloefeningen ingekeken. Zo te zien heeft hij de handeling van Parijs naar Amsterdam verplaatst. De duw en het verzitten spelen zich af in lijn 16 en het ‘ergens anders’ is daar waar ik nu zit: dit café aan het Jan Willem Brouwersplein.

En ik besef nog iets anders: dat het precies 16 jaar geleden is dat ik uit Amsterdam ben weggegaan.