Honderden studenten naar Rotterdam Zuid om scholieren bij te staan

Onderwijs In het grootste mentorenprogramma van Nederland helpen 1.200 studenten de scholieren én zichzelf

Mentor Elianne Bos in gesprek met Lamek Foto Dieuwertje Bravenboer
Mentor Elianne Bos in gesprek met Lamek Foto Dieuwertje Bravenboer

In de kantine van het Olympia College in Rotterdam-IJsselmonde klinkt muziek. In een hoekje wordt gedanst, een leerlinge knipt plaatjes uit een woontijdschrift en een student speelt een spelletje kaart met een scholier. Het wekelijkse mentoruur is voor de dertien leerlingen van de internationale schakelklas een welkome afwisseling tussen de lessen rekenen, taal en geschiedenis. Studenten van Hogeschool Rotterdam bieden een luisterend oor en helpen de scholieren om de Nederlandse taal nog beter onder de knie te krijgen.

Maar het is zeker geen eenrichtingsverkeer. Zlatko Yankov (14) doet de shuffle voor aan student Opleiding docent beeldende kunst Moureen Wittekoek (23). Zijn voeten schuiven parallel over de linoleumvloer. Soepel rolt Zlatko daarna met zijn bovenlijf. Moureen doet de beweging aarzelend na, met een stuk minder souplesse. Toch krijgt ze een complimentje van haar pupil. Zlatko, twee jaar geleden verhuisd van Bulgarije naar Nederland, telt daarna af voor een nieuwe serie bewegingen.

Er wordt niet zomaar gedanst, legt Moureen uit. Door hem de passen uit te laten leggen, hoopt de studente de woordenschat van de 14-jarige scholier te vergroten. „Hij spreekt al heel goed Nederlands”, zegt ze. „Maar met uitleggen heeft hij moeite. Daar werken we aan.” En dat doet Zlatko het liefst terwijl hij danst. „Maar zingen en gitaarspelen vind ik ook leuk.”

Moureen is een van de 1.200 studenten van Hogeschool Rotterdam die dit schooljaar meedoet aan het programma Mentoren op Zuid. Dat moeten er jaarlijks 2.000 worden. Het is daarmee het grootste mentorprogamma van Nederland. Twintig weken lang brengen de studenten van verschillende opleidingen één uur per week door met een scholier op Zuid. In totaal doen twintig basis- en middelbare scholen mee. Deelname aan het programma is voor de studenten niet vrijblijvend; het levert vier studiepunten op.

Aan het begin van de twintig weken moeten de mentoren een plan opstellen. Daarin staat het leerdoel dat ze zichzelf hebben opgelegd, maar ook een doel voor hun protegee (Mentoren op Zuid spreekt van mentees). Meestal is dat het verbeteren van de schoolprestaties, maar het kan bijvoorbeeld ook gaan om het tonen van meer initiatief of het leren van sociale vaardigheden. „Het is de bedoeling dat de studenten vervolgens activiteiten bedenken die daarop aansluiten”, zegt Soesja Pijlman, als docent verbonden aan Hogeschool Rotterdam. Zij begeleidt de studenten tijdens hun mentorschap. Zomaar een spelletje spelen of samen huiswerk maken is niet het doel van de wekelijkse uurtjes. „Beiden moeten er iets aan hebben.”

De Bulgaarse Zlatko Yankov spreekt al goed Nederlands, maar heeft moeite met uitleggen. Mentor Moureen Wittekoek helpt hem daarbij. Foto Dieuwertje Bravenboer

Extra ondersteuning

Student Moureen leert tijdens haar mentorschap uiteraard meer dan de shuffle. Pijlman: „Studenten ontdekken wat hun sterke en zwakke punten zijn bij het begeleiden van een ander.” En bij de bespreking aan het eind van het programma hoort ze regelmatig dat het mentorschap de ‘wereld van studenten vergroot’ heeft. „Vaak hebben studenten vooroordelen over Rotterdam-Zuid. Na afloop zeggen ze dan dat hier hele normale kinderen wonen en dat de wijken best wel groen zijn.”

Het mentorprogramma bestaat sinds het schooljaar 2013-2014. De ambitie van het programma was om de onderwijsprestaties op Rotterdam Zuid te verbeteren en de kansen te vergroten. „Uit een behoefteonderzoek bleek dat leerlingen baat hebben bij extra ondersteuning van studentmentoren van Hogeschool Rotterdam”, zegt Pijlman. „Jongeren op Zuid kunnen extra een-op-een aandacht gebruiken bij huiswerk, het kiezen van een vervolgstudie of het ontdekken van hun talenten.” Voor een aantal opleidingen is het mentorprogramma een vast onderdeel. Bij andere opleidingen, zoals bijvoorbeeld de opleiding bedrijfseconomie, begeleiden studenten de scholieren op Zuid als keuzevak.

Voor studenten die de lerarenopleiding doen, sluit het begeleiden van de scholieren aan bij hun toekomstige vakgebied. Voor een student commerciële economie is dat minder vanzelfsprekend. Maar ook zij doen bruikbare kennis op, zegt Pijlman. „We zien we dat een deel van de hbo-studenten zich binnen een bepaalde kring hebben bewogen. Later zullen zij echter ook klanten of werknemers krijgen met een andere achtergrond. Dan is het fijn dat zij daar al eens kennis mee gemaakt hebben.”

Scholiere Reem Idries vindt het fijn dat mentor Roos Wilkes langzaam praat, zodat ze haar goed kan verstaan. Foto Dieuwertje Bravenboer

Auwien Boelkens, docent Nederlands op het Olympia College en klassenmentor van Zlatko en twaalf andere leerlingen van de schakelklas, is enthousiast over het mentorprogramma. „Op woensdag gonst het al door de klas; morgen komen de maatjes weer!”, zegt Boelkens. Een uur lang onverdeelde aandacht van een volwassene is voor de leerlingen fantastisch, zegt ze. „Iemand die speciaal voor jou komt en naar jou luistert, dat is wat deze kinderen nodig hebben. Als docent doe ik mijn best, maar ik heb daar niet zo intensief de tijd voor.”

Boelkens ziet de band die leerlingen met hun mentor vormen. „Dat is leuk om te zien.” Sommige kinderen trekken zich daar aan op. „Kijk, die jongen is de afgelopen weken enorm veranderd”, wijst ze. „Hij had zo’n weerstand tegen school, maar inmiddels heeft hij de drive gevonden om zijn best te doen. Heel bijzonder.”

Het mentorprogramma wordt deels gefinancierd door de filantropische Rotterdamse stichting De Verre Bergen. Na 2020 wordt het programma bekostigd door fondsen en de gemeente. Onderzoeksbureau Panteia onderzocht in opdracht van De Verre Bergen wat het effect was op de leerprestaties. „Dat was gemiddeld niet waarneembaar”, zegt Pijlman. „Maar er wordt ook aan andere doelen gewerkt en als je kijkt naar individuele leerlingen, zijn er wel degelijk verbeteringen.” Uit eerder onderzoek blijkt dat hoe beter de match is tussen de leerling en de student, hoe beter het programma werkt.

De protegee van student lerarenopleiding geschiedenis Stefan Bitter (19) is deze donderdagochtend niet op komen dagen. Het dominospel met daarop synoniemen ligt tevergeefs voor hem op tafel. „Ach, het is de eerste keer”, zegt Stefan. „Ik vind het niet zo erg.” Eigenlijk is de student wel te spreken over zijn maatje. „Ik zie hem steeds socialer worden en we praten ook steeds meer.” Stefan herkent zich in de uit Rusland afkomstige scholier. „Daardoor weet ik ook wat er nodig is om hem uit zijn schulp te halen.”

Zo ontdekte hij dat de scholier dol is op computerspelletjes. Daarom laat Stefan hem de laatste vijf minuten minecraft spelen op zijn laptop. „Dan komen alle kinderen om hem heen staan en is hij echt even het mannetje.” De eerste bijeenkomsten was de scholier teruggetrokken en verdrietig, zag Stefan. „Hij zat toen midden in een verhuizing.” Inmiddels gaat het beter. De student van de lerarenopleiding staat open voor een persoonlijk gesprek met zijn protegee om hem, als dat nodig is, te steunen. „Maar ik ga het niet uit hem trekken.”

Op het Olympia College in Rotterdam-IJsselmonde schildert mentor Britt Reijnders met Amal Taha. Foto Dieuwertje Bravenboer

Dat is ook niet de bedoeling zegt coördinator Pijlman. „We geven de studenten mee dat zij géén hulpverlener zijn en we zijn er ook alert op dat dat niet gebeurt.” De studenten mogen bijvoorbeeld de kinderen niet beloven dat zij informatie uit een gesprek niet door zullen vertellen. „Als dat nodig is, kunnen de mentoren kinderen doorverwijzen naar zorgcoördinatoren.”

Toezicht

Na twintig weken hebben de scholieren vaak een band opgebouwd met hun mentor. Het is vervolgens aan de mentor of zij ook na het programma contact willen houden. „Daar zijn we niet heel uitgesproken over”, zegt Pijlman. „We verbieden het niet, maar we moedigen het ook niet aan.” Tijdens de mentoruren onder schooltijd is er altijd toezicht. Als het contact buiten school voortgezet wordt, ontbreekt dat. „Daar moeten we voorzichtig mee omgaan”, zegt de begeleider. „Het gaat tenslotte om contact tussen een minderjarige en een volwassene.” Voorafgaand aan het traject moeten de studenten een Verklaring Omtrent het Gedrag inleveren.

De scholiere Reem Idries (13) en studente logopedie Roos Wilkes (19) zitten samen achter de laptop. Ze vullen de gegevens van Reem in op het aanmeldformulier van een bedrijf dat krantenbezorgers werft. „Ik zoek een bijbaantje”, zegt de scholier. „Zelf wist ik niet waar ik moest kijken. Daarom heb ik aan Roos gevraagd of ze mij wil helpen.”

Uit een zoektocht op internet blijkt dat er nog weinig werk te vinden is voor een 13-jarige. „Een krantenwijk is eigenlijk de enige optie”, zegt Roos. Nu ze samen het aanmeldformulier hebben ingestuurd, is het wachten op een reactie. Reem verheugt zich al op haar eerste salaris. „Ik wil graag mijn eigen fotocamera kopen”, zegt ze. „Later wil ik fotograaf worden. Of stewardess. Dat lijkt me ook leuk.”

Reem verhuisde 1 jaar en 9 maanden geleden vanuit Eritrea naar Barendrecht. Ze is blij dat Roos haar mentor is. „Ze heeft een lief gezicht. En omdat ze langzaam praat, kan ik haar goed volgen.” Tijdens het mentoruurtje op donderdagochtend maken ze een dictee, oefenen ze de tafels of knutselen ze samen. „Kijk”, zegt Reem terwijl ze een paarse pompon uit haar schooltas vist. „Die hebben we vorige week gemaakt.”

Logopediestudente Roos wil tijdens het traject leren hoe ze iemand kan begeleiden. „Maar het is voor mij ook een kennismaking met een andere cultuur. Ik vind het interessant om te horen hoe het bij Reem thuis gaat.” Cultuurverschillen ziet ze terug in kleine dingen. „Zij doet bijvoorbeeld vijf zakjes suiker en ook nog honing in haar thee! Ze vindt het gek dat ik mijn thee gewoon zo drink.”