Reportage

Een lekker matras, een warme douche en een bord zuurkool

Daklozenopvang In Amsterdam is sinds deze week de winteropvang open. Het aantal daklozen blijft stijgen, waardoor ook ‘zelfredzame’ mensen langer in de tijdelijke opvang blijven. De grote steden luiden de noodklok.

Ergül Türkmen op zijn gedeelde kamer in de winteropvang.
Ergül Türkmen op zijn gedeelde kamer in de winteropvang. Foto Niels Blekemolen

Ergül Türkmen ziet er opvallend gesoigneerd uit. Zijn haar is netjes geknipt, zijn snor getrimd. Hij ruikt naar eau de cologne en draagt een truitje van Calvin Klein. Als je hem op straat zou tegenkomen, zou je niet denken: hé, daar loopt een dakloze.

Twintig jaar geleden, vertelt Türkmen, woonde hij met vrouw en kinderen in een eigen huis in Amsterdam. Na zijn scheiding huurde hij jarenlang kamers. Maar toen raakte hij zijn baan bij een ziekenhuis kwijt en belandde hij in de bijstand. De laatste drie jaar heeft hij geen vaste woon- of verblijfplaats meer.

In de recordhete zomer van 2018 kampeerde Türkmen in een tentje aan de Sloterplas, totdat de politie hem sommeerde te vertrekken. „Overdag werd ik gek van de hitte en de insecten, ’s nachts was het prima.” Hij woonde een tijdje bij het Leger des Heils, maar werd weggestuurd nadat hij tijdens een woede-uitbarsting twee flessen door het raam had gegooid.

Hij zou niets liever willen dan een eigen huis, zegt Türkmen. „Gewoon, weer lekker voor mezelf en mijn kinderen koken. Net als twintig jaar geleden.” Maar de wachtlijst voor tijdelijke woonruimte is lang – en als je ervoor in aanmerking wilt komen, moet je iedere dag bellen. Dat schoot er nog wel eens bij in, de afgelopen jaren. „Nu doe ik heel erg mijn best.”

Fouilleren op drugs en wapens

Het is begin december, en dat betekent dat de winteropvang in Amsterdam zijn deuren heeft geopend. Hier, in een voormalige jeugdgevangenis in het Westelijk Havengebied, zijn 400 bedden beschikbaar voor dak- en thuislozen die niet elders in een opvang terecht kunnen – of willen.

Vanaf half vijf zijn ze welkom, de daklozen. Bij binnenkomst worden ze gefouilleerd op drugs en wapens, hun tassen en koffers laten ze achter in een depot. Daarna kunnen ze een bord warm eten halen: aan lange tafels zitten ze in de gymzaal gebogen over borden zuurkool met worst. Er staan ketels met onbeperkt koffie, thee en limonade.

Op dit moment bivakkeren er zo’n 190 mensen in de winteropvang. Het zijn overwegend mannen: volgens coördinator Kevin Koenen van zorgorganisatie HVO-Querido slapen er op dit moment „een stuk of tien vrouwen”, in een eigen ruimte. Wie niet zit te eten, kijkt tv of ligt op bed muziek te luisteren. De volgende ochtend is er ontbijt en een warme douche. Om uiterlijk half tien moeten de daklozen weer weg zijn.

Lang leidde de winteropvang in Amsterdam een nomadenbestaan: ieder jaar op een andere locatie. Sinds dit jaar is er een vast onderkomen gevonden, in de voormalige jeugdgevangenis. Daardoor hoeft de voorziening straks niet meer op 1 april z’n deuren te sluiten: de winteropvang wordt dan een 24-uursopvang.

En dat is hard nodig, vindt het stadsbestuur. In Amsterdam en de drie andere grote steden stokt de doorstroom van daklozen naar een eigen woning. Belangrijkste reden: de woningschaarste in de stad. Het gevolg is dat ‘zelfredzame’ daklozen als Elgün Türkmen – op straat beland na scheiding of verlies van een baan, maar niet verslaafd of psychisch in de war – noodgedwongen veel langer in de tijdelijke opvang moeten blijven. Niemand hoeft in Amsterdam op straat te slapen, maar steeds meer mensen zitten op de verkeerde plek.

De afgelopen tien jaar verdubbelde het aantal daklozen in Nederland, van 18.000 tot bijna 40.000. Dat merken ze in de vier grote steden, waar eenderde van alle daklozen verblijft. De situatie is dermate benauwd dat de wethouders van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht twee maanden geleden een brandbrief stuurden naar het kabinet. Woensdag sloten de Nationale Ombudsman, de Kinderombudsman en alle lokale en regionale ombudsmannen zich aan bij die noodkreet. „De oplossing van het probleem is de gemeenten boven het hoofd gegroeid”, schrijven ze in een gezamenlijke oproep aan premier Rutte.

Kamers op de winteropvang in Amsterdam.
Foto Niels Blekemolen
Bewaakte garderobe op de winteropvang in Amsterdam.
Foto Niels Blekemolen
Daklozenopvang in Amsterdam.
Foto’s Niels Blekemolen

Bij vrienden op de bank slapen

Hoe nijpend het probleem is, wordt ook duidelijk in het kantoortje van de Bijstandsbond in Amsterdam. Aan tafel zit Michael Pinedo, een veertiger van Antilliaanse komaf. Michael is zijn tweede naam: hij wil niet met zijn voornaam in de krant.

Tot vier jaar geleden woonde hij samen met zijn vriendin. Het ging uit, en hij moest weg – het huis stond op haar naam. Eerst sliep hij bij vrienden op de bank, „maar daar kun je niet te lang blijven.” Daarna volgden steeds vaker nachtjes in zijn auto, of in het park.

Twee jaar geleden vond Pinedo onderdak in een passantenpension: een kamertje voor zichzelf met gedeelde keuken en badkamer. Daar moet hij binnenkort vertrekken. Het verblijf van zes maanden werd een aantal keer verlengd, maar in januari zet HVO-Querido er een punt achter. Er is „niet voldoende gebleken” dat hij actief zocht naar eigen woonruimte, zo staat in een brief die hij laat zien.

Dat is niet waar, zegt Pinedo, Hij wil dolgraag een eigen huis, en heeft daar volgens hemzelf ook het nodige voor gedaan. Alleen: er is nergens plek. In Amsterdam heeft hij zeven jaar woonduur opgebouwd voor een sociale huurwoning: de gemiddelde wachttijd bedraagt veertien jaar. Hij meldde zich op advies van HVO-Querido elders in het land aan voor een huis: Almere, Den Haag, zelfs in Limburg. Maar ook daar zijn de wachtlijsten lang, of loopt hij aan tegen bureaucratische barrières. „Toen ik in Almere kwam om me aan te melden, bleek het dezelfde wachtlijst te zijn als die in Amsterdam.”

Het vooruitzicht dat hij straks weer op straat belandt, bezorgt hem veel stress, zegt Pinedo. Dat was ook de reden dat hij stopte met het uitzendwerk dat hij deed, onder meer als schoonmaker. „Ik had te veel aan mijn hoofd.”

Inmiddels heeft hij een advocaat, via de mensen van de Bijstandsbond. Die gaat proberen om toch weer verlenging van zijn verblijf in het passantenpension af te dwingen. „Meer wil ik ook niet. Gewoon een of twee jaar extra zodat ik meer woonduur kan opbouwen.”

Als er vóór januari geen oplossing komt, weet Pinedo het ook even niet meer. Toch maar weer aankloppen bij vrienden? Liever niet – maar alles is beter dan slapen in een auto. „Weet je hoe je dan opgerold ligt?”

Michael Pinedo op straat bij het kantoor van de Bijstandsbond. Foto Niels Blekemolen

Polen en Roemenen

Er speelt nog iets in Amsterdam. Steeds meer daklozen in de hoofdstad komen van buiten de landsgrenzen – vooral uit Oost- en Midden-Europa. In de winteropvang bestond de afgelopen jaren meer dan 70 procent van de gebruikers uit „woningzoekenden uit de EU of van daarbuiten”, schreef wethouder Simone Kukenheim (Zorg, D66) onlangs aan de gemeenteraad, op basis van een telling van de GGD. Bijna de helft „is net in Amsterdam gearriveerd en verlaat de stad na sluiting van de winteropvang weer”.

Lees ook Zo ziet een overnachting in de daklozenopvang eruit

Om te voorkomen dat de opvang uitgroeit tot een veredeld pension voor Polen en Roemenen, hanteert de gemeente sinds vorig jaar een nieuwe regel: wie niet kan aantonen dat hij binding heeft met Amsterdam en ook geen zorgvraag heeft, moet binnen tien dagen weer vertrekken. Het personeel stelt deze ‘regiobinding’ vast door middel van een screening – en deelt de uitslag persoonlijk aan de daklozen mee. „Dat zijn geen leuke gesprekken”, zegt coördinator Koenen.

Richard Willems kent een heleboel Poolse daklozen. „Het zijn goeie jongens, al stelen sommigen als de raven.” Zelf hoeft Willems (50) niet bang te zijn om straks te worden weggestuurd: hij is een veteraan van de Amsterdamse straten. Op zijn dertiende liep hij voor het eerst weg van huis („Mijn ouders hadden elke dag ruzie”) en begon hij met rondzwerven. Een tijdlang had hij wel een dak boven zijn hoofd, hij woonde samen, maar dat is alweer een jaar of twintig geleden. Sindsdien slaapt hij ’s zomers in bootjes en portieken, of hij loopt door de stad. „Als ik pep heb gebruikt, kan ik de hele nacht doorgaan. Mijn record wakker blijven is twee weken.”

Richard WIllems in de winter nachtopvang in Amsterdam Foto Niels Blekemolen

Een verslaafde met een sporthart

In de winter klopt Willems aan bij de opvang – hij is een oude bekende hier. Vanwege zijn verslaving aan speed en heroïne zit hij in de vleugel met de ‘kwetsbare’ daklozen, al vindt hij dat zelf een beetje overdreven. „Ik heb een sporthart. Als de hele wereld zou omvallen, sta ik nog overeind.”

Ooit zou hij wel weer een eigen huis willen, zegt Willems. „Ik ben nu vijftig, op een gegeven moment word je een beetje te oud.” Hij heeft „twintig jaar woonduur” opgebouwd. „Ik ben alleen de inlogcode van Woningnet kwijt.”

Voor nu is Willems heel tevreden met de opvang. Hij laat zien waar hij vannacht slaapt: een voormalige cel van vijf bij twee meter, met een stapelbed en een badkamertje. Een puike plek vindt hij het. „Kijk jongen, gewoon een lekker matras. En ik slaap hier ook nog in m’n eentje.” Hij loopt naar de douchecabine. Grinnikend: „Je moet wel de hele tijd de knop ingedrukt houden, net als op het politiebureau.”

Bij het weggaan vraagt Willems of we wel echt zijn hele naam in het artikel willen afdrukken. „Dat is voor mijn moeder, dan ziet ze me ook eens in de krant.”