Opinie

Verfoeide generatie

Frits Abrahams

Een logeerpartijtje van je twee kleinzonen kan een verrassender verloop krijgen dan je voor mogelijk had gehouden. Jong bloed in het oude nest, je moet er tegenwoordig mee oppassen.

Zaterdagmiddag kwam ik nietsvermoedend thuis toen Hidde (12) en Jens (9) me al in de gang van ons appartement stonden op te wachten, een geheimzinnig lachje om de lippen. Ze liepen de huiskamer binnen, kwamen terug, stelden zich naast elkaar op en riepen uit één borst: „OK, boomer!”

Ze herhaalden het nog enkele malen en liepen weer naar de huiskamer, waar ze via het draadloze luidsprekersysteem – nota bene door hun eigen vader onlangs aangelegd – een mannenstem lieten horen die dezelfde genadeloze belediging bleef uitschreeuwen. Nee, het was niet Philip Huff, al had hij het wel kúnnen zijn. „Wie is dat nu weer?” vroeg ik ontzet. „Dat is een meme”, zei Jens.

Mijn vrouw stond erbij te glimlachen – schattige bengels, toch? Zij maakte zich geen zorgen, want ze is van 1943, drie jaar ouder dan ik. Strikt genomen valt ze daarmee buiten de verfoeide babyboomgeneratie, want die begint volgens de definitie van Van Dale „tijdens de geboortegolf kort na de Tweede Wereldoorlog”. „Eigenlijk ben jij van een andere generatie”, zei ik vroeger weleens spottend, maar ze moet niet denken dat ze daar nu mee wegkomt.

Ik zuchtte diep en trok me verongelijkt in een hoekje terug met de zaterdagkrant, waarin ik het opinieartikel van Huff over babyboomers nog moest uitlezen. Toen me dat met enige moeite gelukt was, begreep ik dat mijn leven hierna nooit meer hetzelfde zou zijn. Er was iets over mij en mijn generatiegenoten onthuld dat een heel ander, verontrustend licht op ons wierp.

Wij hadden jarenlang de schijn opgehouden dat we geslaagde altruïsten waren, maar intussen hadden we een nieuwe generatie uitgezogen en achteloos afgedankt. Wrede egoïsten waren we geweest, we hadden alleen maar aan onze eigen mooie banen en vette pensioenen gedacht terwijl we de planeet leegroofden. We waren één grote schandvlek op de mantel van de wereldgeschiedenis geworden.

Het artikel bevatte maar een enkele relativerende zin: „En ik besef dat ze niet de enige generatie zijn die er een behoorlijke puinhoop van heeft gemaakt.” Toch aardig van Philip, dacht ik even, en ik moest aan de generaties vóór de mijne denken, toen ze niet op een economische depressie, een wereldoorlog en een genocide meer of minder keken.

Waarom hadden wij babyboomers daar nooit in termen van „meest egoïstische generatie” over gepraat? Omdat we het een belachelijke generalisatie vonden? Omdat we beseften dat elke generatie in haar vanzelfsprekende onvolmaaktheid fouten maakt? Of omdat het ons beter leek dat een nieuwe generatie zich niet blindstaart op het verleden, maar hard werkt aan een toekomst waarin er, wie weet, misschien nooit meer iets verkeerd gaat?

Ik heb er niet meer met Hidde en Jens over gepraat. Jens wilde ’s avonds een geheugenspel spelen met kaarten van beroemde schilderijen. Wij dachten hem moeiteloos te kunnen verslaan, maar het werd een koude kermis. Zijn geheugen werkte beter dan dat van de oudjes. Op één zwarte dag transformeerde ik tot OK-boomer, zondebok én loser. Ik werd het symbool van een generatie waarmee het nooit meer goed komt.