Recensie

Recensie Beeldende kunst

Van Koningsbruggen zorgt voor schilderijen als patiënten

Tentoonstelling Rob van Koningsbruggen is een compromisloos schilder, die zijn kleurrijke, krachtige schilderijen middenin een Noord-Hollandse polder maakt. In het Kunstmuseum in Den Haag is een tentoonstelling met zijn werk geopend.

Een werk van Rob van Koningsbruggen zonder titel, uit 2007. Oliefverf op doek.
Een werk van Rob van Koningsbruggen zonder titel, uit 2007. Oliefverf op doek. Foto J&M Zweerts Fotografie / Kunstmuseum Den Haag

Rob van Koningsbruggen (Den Haag, 1948) plaatst zichzelf in een lijn van de ‘stille kunstenaars’ Mondriaan, Jan Schoonhoven en Stanley Brouwn. Tijdens hun leven was het „vrij stil” rond hun werk, zegt hij in een interview in de catalogus bij zijn tentoonstelling in het Kunstmuseum in Den Haag. Maar „als ze dood zijn breekt de pleuris uit”. Van Koningsbruggen vermoedt dat dit bij hem ook het geval zal zijn.

Hij ziet nog een overeenkomst tussen Mondriaan en zichzelf, namelijk het „compromisloze” en de abstractie. Met dit verschil, dat Mondriaan zich bepaalde tot de primaire kleuren en zwart en wit, terwijl Van Koningsbruggen „teruggaat naar het groen”, naar de natuur die Mondriaan juist de rug had toegekeerd. Van Koningsbruggen verhuisde twintig jaar geleden naar Wieringen in Noord-Holland en werkt middenin de groene uitgestrektheid van de polder.

Zijn schilderkunst draait volgens hem om formele uitgangspunten: kleur, vorm en compositie. Dat mag zo zijn, maar compromisloos is de abstractie bij hem zeker niet. Dat hoeft ook niet, juist een zekere dubbelzinnigheid maakt zijn werk aantrekkelijk.

In een recente serie schilderijen zijn de kleurige kegelvormen, bekend uit het vroegere werk, bij de punten samengebonden zodat een soort bloemvormen ontstaan. De bloembladeren strekken zich zijdelings uit over het vlak van het doek. Gecombineerd met een horizontale tweedeling van het vlak in contrasterende kleuren ontstaat een verrassende perspectivische weidsheid. In deze sensuele, uitbundige, transparante schilderijen wordt het oog verre diepten in geleid.

Wat betreft een Hollandse traditie, iets waar Van Koningsbruggen kennelijk aan hecht, komen eerder Piet Ouborg (1893–1956) en Gerrit Benner (1897-1981) in gedachten. Ook hun schilderijen, zeker die van Ouborg, worden gekenmerkt door een dubbelzinnigheid van beeld en afbeelding. Het zijn vrije, kleurrijke experimenten met vorm en transparantie die resulteren in krachtige composities. Het werk van Ouborg behoort tot het beste wat de modernistische schilderkunst in ons land heeft voortgebracht, al is er nog steeds geen pleuris uitgebroken.

Zonder titel. Foto Alice de Groot / Kunstmuseum Den Haag

Schuifschilderen

Heel anders dan welke voorganger dan ook is Van Koningsbruggen vertrokken vanuit de conceptuele kunst. Bekend zijn de breiwerkjes die hij begin jaren zeventig produceerde. In Den Haag is zo’n grijs breiwerkje te zien. Het vierkante lapje hangt aan de breipen, een uitgezakt geometrische vorm vol onregelmatigheden. Breien sprak Van Koningsbruggen aan omdat het een langdurige herhaling van exact dezelfde handeling is die een regelmatig, maar toch geen mechanisch of exact voorspelbaar resultaat oplevert. Hetzelfde principe paste hij toe in tekst-tekeningen, bijvoorbeeld bij de strafwerk-achtige herhaling van de zin „de weg is recht, de weg is krom”. De letters werden aaneengeregen in een losse rechthoek of ruitvorm, totdat de vorm was voltooid. De vooraf vastgestelde handeling creëerde het eindresultaat.

Halverwege de jaren zeventig ontdekte Van Koningsbruggen het principe van het ‘geschoven schilderij’ of het ‘schuifschilderij’. Hij bracht verf in primaire kleuren, of in zwart en wit, aan op een doek en schoof er een ander doek overheen, zodat twee schilderijen ontstonden met horizontale, uitgeveegde banen in gemengde kleuren. Toeval speelde hierbij een belangrijke rol. Iets vergelijkbaars is de handeling van het leegstrijken van de kwast.

Van Koningsbruggen raakte gefascineerd door kleurmenging, wat onder meer leidde tot ‘kleurencirkels’ van geel, oranje, rood, paars, blauw en groen. Er zit een zeker automatisme in zo’n kleurencirkel, maar hij paste het principe niet op een automatische manier toe. Nooit ging Van Koningsbruggen zover dat hij de uitkomst van een handeling, en iedere toevalligheid, per definitie accepteerde – iets wat een rechtgeaarde conceptualist wél zou doen.

Uiteindelijk bepalen bij Rob van Koningsbruggen esthetische en puur schilderkunstige overwegingen het eindresultaat. Schilderen is vooral een langdurig proces van kijken, iets veranderen, weer kijken. Van Koningsbruggen doet lang over zijn schilderijen. Hij kan ze een half jaar laten rusten en werkt zodoende soms wel aan tien schilderijen tegelijk, als aan „patiënten” die hij „beter moet maken”.

Boomschilderijen

In het werk van de afgelopen vijftien jaar komen allerlei vroegere motieven weer terug, zoals kegel, bol en kleurcirkel, en ook het schuifschilderij. In de recente ‘boomschilderijen’, van formaat variërend van zo’n 110 x 80 centimeter tot een drieluik van 480 x 240 centimeter, laat Van Koningsbruggen van bovenaf een sliert verf, vaak in twee kleuren en direct uit de tube op het doek geknepen, over het doek naar beneden lopen. Vervolgens schildert hij met een brede kwast de verf uit, in horizontale, boogvormige streken, ter linker en rechterzijde van het stroompje verf dat als een lijn zichtbaar blijft, zodat het schilderij verticaal in tweeën wordt gedeeld.

De twee kleuren mengen zich in de verfstreek. De streek is transparant, zodat ook een wisselwerking ontstaat met het monochroom gekleurde vlak eronder: groen met oranje op gele ondergrond, of rood en donkergroen op helderrode ondergrond. De schilderijen nodigen de beschouwer ertoe uit om de handeling van het schilderen direct te ervaren.

Van Koningsbruggen weigert nadrukkelijk om zich bezig te houden met iedere vorm van morele of maatschappelijke thematiek en eist voor zijn kunstenaarschap totale vrijheid op. Het resultaat is een op het eerste gezicht ouderwetse schilderijententoonstelling met een vormproblematiek. Maar dit doet zijn werk tekort. Het begrip ‘ouderwets’ is relatief. Dit zijn zeer krachtige en zeer eigen schilderijen, fris en helder, zo fysiek en concreet als dingen in de wereld maar zijn kunnen, en tegelijkertijd ijl en lyrisch in hun uitwerking.

Zijn voorgangers hebben hun abstracte schilderkunst bevochten op de figuratieve kunst, Van Koningsbruggen heeft het schilderkunstige beeld bevochten op de conceptuele kunst. Er is een grote vanzelfsprekendheid in het meest recente werk, waardoor er ook ruimte is voor de suggestie van horizon en natuur. Van Koningsbruggen schiep een hecht en overtuigend oeuvre van tijdloze schilderijen.