Het paradijs nestelt zich in je hoofd

wereldkunst #2

In de rubriek ‘Wereldkunst’ schrijft Hans den Hartog Jager maandelijks een beschouwing of polemiek over kunst. Het museum in Odawara van Hiroshi Sugimoto is een paradijs, maar dat besef je juist pas als je weg bent. Dan wordt het een vluchtplaats in je hoofd.

Fotograaf Hiroshi Sugimoto wil meer dan zijn eigen foto’s laten zien in Odawara, hij wil een ‘kijkervaring’ scheppen. Foto Odawara Art Foundation
Fotograaf Hiroshi Sugimoto wil meer dan zijn eigen foto’s laten zien in Odawara, hij wil een ‘kijkervaring’ scheppen. Foto Odawara Art Foundation

Hiroshi Sugimoto heeft een tijdmachine gebouwd. Om er te komen, neem je in Tokio de Shinkansen naar het zuiden, een half uurtje maar, stapt over op station Odawara en verlaat de trein op station Nebukawa. Daar wacht een busje op je – zo’n klein, rechthoekig Japans busje dat lijkt te zijn gemaakt om in een blokkendoos te passen. Dat brengt je in twintig minuten, door dorpjes en over bochtige wegen, naar de Odawara Art Foundation. Bij het uitstappen sta je meteen tegenover de Meigetsu Poort, oorspronkelijk gebouwd tussen 1336 en 1573 maar ondertussen alweer een paar keer afgebroken en opnieuw neergezet, want over authenticiteit hebben Japanners heel andere ideeën dan het Westen: zo’n poort, mooi en sober, kan heel goed oud en nieuw tegelijk zijn. Zoiets lijkt Sugimoto ook na te streven met zijn museum. Zoals hij schrijft op de Odawara-website: „Ik geloof dat als we teruggrijpen op het aloude observeren van de hemelen, we glimpen zullen opvangen die de weg kunnen wijzen naar onze toekomst.”

Lees ook: Wereldkunst #1, over de fontein van Kara Walker

Om eerlijk te zijn: ik verheugde me zeer op dit bezoek. Hiroshi Sugimoto is een van de beroemdste fotografen ter wereld, met een oeuvre waar een bewonderenswaardig weerbarstige ambitie uit spreekt. Sugimoto fotografeert altijd in zwart-wit en bij voorkeur onderwerpen die balanceren op het omslagpunt van stilstand en beweging: beroemdheden in een wassenbeeldenmuseum, modern-klassieke kunstwerken, diorama’s in natuurhistorische musea. Het bekendst zijn de Seascapes, kale, lege horizonnen-boven-zee die onmiddellijk aan Rothko-schilderijen doen denken, en zijn Theatres, waarvoor hij ouderwetse Amerikaanse bioscopen fotografeerde met een sluitertijd die precies even lang was als de film die er draaide – hoewel alles stilstaat, zinderen ze. Sugimoto werkt heel precies, zeg maar gerust precieus, alsof hij zijn onderwerpen slechts met moeite tot verstilling heeft weten te verleiden. Het leven houdt zijn adem in.

Foto Odawara Art Foundation

Architectuur

Maar hou dat maar eens vol in het luidruchtige echte leven. Vanaf 1997 begint Sugimoto zich steeds meer met architectuur bezig te houden. Eerst maakt hij een serie foto’s van beroemde modernistische gebouwen, waarbij zijn fototechniek (zwart-wit en ‘blurry’ zoals hij zelf opmerkte) een perfecte test vormde voor de ‘beeldende houdbaarheid’ van zo’n gebouw. Vervolgens begint hij zelf gebouwen te renoveren en te ontwerpen. Zijn eerste project is de verbouwing van een kleine tempel op het ‘kunst-eiland’ Naoshima (waarover zo meer), later worden het interieurs, hele gebouwen. De grote klap komt als hij in 2008 wordt gevraagd om een expositie van zijn werk in te richten in het Rem Koolhaas-deel van het Leeum Samsung Museum of Art in Seoul – Sugimoto vindt het er vreselijk. „Te hoekig en te ambitieus”, oordeelde hij over Koolhaas’ ontwerp en: „het moet zijn ontworpen zonder rekening te houden met de kunstenaars die er hun werk zouden tentoonstellen.” – waarbij je toch even aan Stedelijk Base moet denken, Koolhaas’ veel-bekritiseerde hutje-mutje-collectieopstelling van het Stedelijk Museum in Amsterdam, waarover de nieuwe directeur Rein Wolfs zijn twijfels al uitsprak. Sugimoto gaat het anders doen. Zijn gebouwen moeten sober zijn. Dienstbaar. En vooral: tijdloos.

En dus is er nu Odawara. Hoogstpersoonlijk ontworpen door Sugimoto, met de ambitie van een ziener, waarin hij dus bepaald niet voor Koolhaas onderdoet. „Nu, op een cruciaal moment in onze evolutie” verklaart Sugimoto op de website, „heeft kunst haar ooit zo duidelijke nut verloren. Wat zou kunst heden ten dage moeten uitdrukken? [...] Wat we kunnen doen is teruggaan naar de oorsprong van menselijk bewustzijn, de bronnen ervan onderzoeken, en de koers vastleggen die tot nu toe is gevolgd.” Terug naar de bron dus, met Odawara als teletijdmachine. Stap maar in en ga maar mee.

Alleen: wat is die bron eigenlijk?

Maar verdomd, voordat je daarover na kunt denken ben je al weg, mede doordat Sugimoto je aankomst superstrak heeft geregisseerd. Iedere nieuwe bezoeker wordt afzonderlijk ontvangen en krijgt een eigen introductieverhaal van een gids in een traditioneel Japans gewaad – alsof je een onbekende planeet betreedt en de poortwachter je de regels uitlegt. Steen-met-touwtje-eromheen op het pad: niet betreden. Picknicken in de buitentheaters: prima. Prullenbakken zijn er niet (zoals bijna nergens in Japan): vuilnis mee naar huis nemen graag. En er volgt een kleine bekentenis: Sugimoto zelf beschouwt Odawara eigenlijk niet als een museum, maar als een groot land art-kunstwerk. Dat betekent dat hij niet streeft naar een neutrale museumopstelling waarin alle objecten afzonderlijk goed tot hun recht komen, maar dat elk object, elke ingreep een onderdeel is van zijn grote plan.

Welkom in Hiroshi Sugimoto’s paradijs.

Ver boven het alledaagse

Het mooie is: dat idee maakt het bezoek alleen maar indringender, en verrassender. Wie in Odawara bijvoorbeeld een groot overzicht van Sugimoto-foto’s verwacht, komt van een koude kermis thuis. In het hele museum hangen er precies negen: een Lightning Field en een Theatre bij de garderobe, en zeven Seascapes in de honderd meter lange gang die leidt naar het eerste monumentale uitzicht over de Stille Oceaan. Sugimoto wil in Odawara duidelijk meer: een ‘kijkervaring’ scheppen die ver boven het alledaagse uitstijgt, een groot, ingenieus spel met kijklijnen, uitzichten en betekenissen. Daarin gaat hij ver, heel ver: als je het wilt zien, zit achter elke steen, elke tegel een speciaal verhaal. De tafel waaraan we werden ontvangen: gemaakt van een ruim duizend jaar oude yakusugi-ceder. De tegels voor de receptie en de tempel: in 1895 ontworpen voor de Kyoto Electric Railroad. Die schijnbaar onbetekenende klomp in het gras: een hoeksteen uit de Gango-ji-tempel uit de buurt van Sarusawa, gebouwd tussen 710 en 784 – en zo voort, en zo voort. Steeds vaker moet ik denken aan Naoshima, het genoemde ‘kunst-eiland’ voor de Japanse kust waar Sugimoto in 2002 zijn eerste architectuurproject deed: de restauratie van een zogenaamde Go-Oh Shrine. Hoogtepunt daar is het Chichu Art Museum, ontworpen door Tadao Ando, dat permanent werk toont van slechts drie kunstenaars: James Turrell, Walter De Maria en Claude Monet. Vooraf vroeg ik me toen af hoe ze die drie in vredesnaam bij elkaar hadden gekregen, maar het bezoek bleek een echte spirituele, bijna platoonse ervaring: de werken van de drie kunstenaars bleken respectievelijk het licht, de aarde en het water te vertegenwoordigden – jij, de bezoeker, bent het vuur.

Foto Odawara Art Foundation

Ruimte wordt tijd

In Odawara gebeurt iets soortgelijks. Gedurende je wandeling, eerst langs de gebouwen, dan door de tuin, laat Sugimoto je de tijdloosheid ervaren door je voortdurend met tijd om de oren te slaan. Ruimte wordt tijd doordat Sugimoto eerst verschillende zichtlijnen creëert die uitlopen in panoramische vergezichten om je vervolgens een bamboebos in te leiden waar de bamboestaken zich als stramme wachters om je sluiten. Over het museumterrein verspreid staan verschillende kleine buitenpodia waar regelmatig theater en performances worden opgevoerd – we blijken net een maandlang Tino Sehgal-overzicht te hebben gemist. Er is een ‘Fossielengrot’ vol adembenemend mooie fossielen, versteende waterlelies, ammonieten en trilobieten, allemaal vele duizenden jaren oud. Daarna loop je naar buiten en sta je voor een glazen altaar. Dat wordt afgeschermd door een dikke bamboestok die leunt op een ouderwets flessenrek – en laat dat nou net zo’n flessenrek zijn als Marcel Duchamp in 1914 tot legendarische readymade transformeerde. Telkens heeft Sugimoto nieuwe beelden, verwijzingen en grappen voor je in petto. Ondertussen hangen de honderden sinaasappel- citroen-, en yuzu-bomen in de tuin vol rijpe vruchten – die je niet mag plukken. Nooit weet je hier waar de echte wereld ophoudt en de symboliek begint.

Het is geweldig.

Toch begint het ook te knagen. Niet omdat het niet mooi is in Odawara, niet omdat ik er niet van geniet. Het is pijnlijker: juist doordat alles zo perfect in balans is, word ik er steeds dieper van doordrongen dat dit tijdelijk is, dat ik straks weer weg ga – weg moet. Tot ik bedenk dat dat wel eens de essentie van Sugimoto’s idee zou kunnen zijn. Heaven is a place where nothing ever happens, zongen de Talking Heads ooit, en daar gaat het hier om: Odawara is een paradijs, maar de schoonheid van dat paradijs besef je pas echt als je er weer weg bent, als Adam en Eva, en terug bent in het echte leven.

Het museum, het kunstwerk, als vluchtplaats in je hoofd.

Dat bedoelt Sugimoto ongetwijfeld met zijn tijdloosheid. Door mijn bezoek aan Odawara besefte ik dat er een categorie van kunstwerken en musea is die al bijzonder zijn als je ze ervaart, maar die nog beter worden op het moment dat ze uit je zicht zijn en zich in je hoofd hebben genesteld. De schilderijen van Mark Rothko. De lichtwerken van James Turrell. Het Chichu Art Museum. Zulke werken komen pas werkelijk tot bloei in je geheugen, omdat je daar niet weg hoeft. Omdat ze daar ongestoord kunnen groeien, en niets ze kan verstoren. Dat geldt ook voor Sugimoto’s Odawara. Nu ik weer thuis ben, is het daar mooier dan ooit.

Voor meer informatie en bezoek: odawara-af.com/en/