Opinie

Het hoger onderwijs heeft meer nodig dan symboolpolitiek

Universiteiten

Commentaar

Het hoger onderwijs in Nederland staat er op het eerste gezicht goed voor. Bij na de helft van de 25- tot 34-jarigen is hoger opgeleid en Nederlandse universiteiten scoren hoog op de internationale ranglijsten.

De vraag is of dit zo blijft. Het huidige succes drijft grotendeels op investeringen uit het verleden. De investeringen die nu worden gedaan, sporen niet met de hoge ambities. Het aantal studenten aan universiteiten steeg sinds 2000 met 77 procent naar bijna 300.000, maar de rijksbijdrage per student daalde gestaag.

Intussen wordt de zogeheten Lissabon-doelstelling, de internationale afspraak dat 3 procent van het BNP bestemd moet zijn voor onderzoek en innovatie, niet gehaald. Nederland dreigt langzaam weg te glijden uit de wetenschappelijke wereldtop, waarschuwen experts.

Universiteiten en wetenschappers zijn de afgelopen decennia in een steeds harder gevecht geraakt met de overheid om het geld. Universiteiten concurreren met elkaar om studenten; ze krijgen immers budget per student. Wetenschappers concurreren met elkaar om onderzoeksgeld, dat grotendeels wordt verdeeld door externe financiers als NWO.

Een beetje concurrentie is goed en houdt iedereen scherp, maar als tien onderzoekers vechten om één pot geld, zoals tegenwoordig vaak het geval is, is het geen gezonde wedstrijd meer, maar een loterij. De eerste gevolgen van deze ontwikkelingen zijn duidelijk: het hoger onderwijs piept en kraakt.

Wetenschappelijk personeel werkt structureel over en doet dat veelal op tijdelijke contracten. Studenten klagen massaal over stress, ze zitten in collegezalen die uitpuilen, terwijl hun docenten zoveel werkgroepen en scripties moeten begeleiden dat de kwaliteit onder druk staat.

In de strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek die minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, D66) maandag presenteerde, worden die knelpunten helder over het voetlicht gebracht. Haar plannen voor het onderwijsbeleid van de komende vier jaar laten een opvallende breuk zien met het rendementsdenken van de afgelopen decennia: stop met het beconcurreren van elkaar en richt je meer op samenwerking. Stop met studenten zo snel mogelijk door hun studie te jagen en laat ze hun eigen pad volgen, ook als dat langer duurt.

Een fraaie analyse, maar als oplossing voor de huidige malaise is het te mager. Concrete actie ontbreekt. Door slechts een klein deel van het onderwijsbudget minder afhankelijk maken van studentenaantallen en externe financiers, houdt de concurrentiestrijd niet op. Door universiteiten en hogescholen te vragen om meer samen te werken en onderwijs meer te waarderen, los je de werkdruk niet op. En door tegen studenten te zeggen dat ze best wat langer over hun studie mogen doen, wordt het onderwijs niet beter – en hun studieschuld niet lager.

Om de kwaliteit van het hoger onderwijs te garanderen en tot de wetenschappelijk wereldtop te blijven behoren, is bovendien meer nodig dan symboolpolitiek als het invoeren van twee nieuwe onderwijsprijzen voor „excellente onderwijsteams”, zelfs al leveren die 2,5 miljoen euro per stuk op.

Een miljard euro, berekenden de academici achter WOinActie, is nodig om het gat tussen wens en werkelijkheid te dichten. Dat de onderwijsminister dit bedrag inmiddels ook heeft omarmd, is een hoopvol begin.