Een inclusieve boom

Ewoud Sanders

Woordhoek

Binnenkort verschijnen de eerste lijstjes met de woorden van 2019, daarom hier vast mijn keuze: inclusief en boomer.

Inclusief is natuurlijk geen nieuw woord – alleen de combinatie inclusief btw gaat al zeker een halve eeuw mee. Maar het afgelopen jaar las ik inclusief vaker dan ooit. Volgens de Dikke van Dale betekent het ‘niemand of niets uitsluitend’, maar een betere definitie lijkt mij ‘iedereen insluitend, ongeacht ras, sekse, godsdienst’.

Dat is natuurlijk een goed streven, maar inclusief is een modewoord geworden dat door allerlei instellingen en bedrijven wordt rondgestrooid om niet achter te blijven. Het afgelopen jaar lazen we in deze krant onder meer over een „inclusieve arbeidsmarkt”, „inclusieve vacatureteksten” en een „inclusieve werkvloer”. In de praktijk blijkt „inclusiviteit in werving en selectie” moeilijk te realiseren, maar gelukkig zijn er ook „onbewust inclusieve organisaties” (Defensie). Bovendien presenteren diverse merken zich vandaag de dag op een „veel inclusievere en minder geseksualiseerde manier”. Zo bestaat er zelfs een „inclusief lingerielabel”, namelijk Savage X Fenty. Verder kan het u moeilijk zijn ontgaan dat steeds meer gemeenten streven naar een „inclusief Sinterklaasfeest”, exclusief roetzwarte Zwarte Pieten.

Naast inclusief maakt ook inclusie (‘insluiting’) steeds meer opgang. Bij allerlei bedrijven en instellingen kun je tegenwoordig met de „missie diversiteit en inclusie” aan de slag. Bijvoorbeeld als „adviseur inclusie” bij de politie. Of als „onderzoeksmedewerker Diversiteit & Inclusie en Integriteit & Ethisch gedrag” bij de Universiteit Utrecht. Wat opvalt in die universitaire vacaturetekst is dat de aanduiding onderzoeksmedewerker niet inclusief is. Gelukkig zijn er op internet steeds meer handleidingen te vinden voor „inclusief taalgebruik”.

Taalkundig dieptepunt van dit jaar vond ik de beslissing van het Amsterdam Museum om, uit een nadrukkelijk streven naar „inclusiviteit”, de aanduiding Gouden Eeuw af te schaffen, met als argument dat in de zeventiende eeuw ook armoede, oorlog, dwangarbeid en mensenhandel voorkwamen. Maar dat geldt helaas voor álle tijden, inclusief de onze.

De beslissing van het museum past overigens in een trend: wereldwijd streven steeds meer musea ernaar om „democratiserende, inclusieve en veelstemmige ruimtes voor kritische dialoog” te zijn. Ook dat is lovenswaardig, maar ik voorspel dat de woorden inclusie, inclusief en inclusiviteit door overdadig gebruik snel tekenen van slijtage zullen vertonen.

Een woord dat al aan slijtage onderhevig is, is babyboomer. Volgens de Dikke Van Dale is dat iemand die „tijdens de geboortegolf kort na de Tweede Wereldoorlog geboren is”. De vraag wat je hier onder kort moet verstaan werd in 2012 beantwoord in Babyboomers, een publicatie van het CBS: het gaat om de periode 1946 tot 1955, toen er in Nederland circa 2,4 miljoen kinderen werden geboren.

De boomers, zoals ze steeds vaker worden genoemd, hebben hard gewerkt maar zijn er ook goed voor beloond en de meesten hebben een flink vermogen. Bovendien kochten ze hun huis of huizen voor een prikkie, iets wat bij latere generaties afgunst opwekte.

Lang hoorde ik zelf tot een van die latere generaties, maar dit jaar werd mij duidelijk dat ik inmiddels ook tot de boomers word gerekend, want de eindgrens is opgerekt tot 1960 en soms zelfs tot 1964. Vreemd genoeg bestaat er geen consensus over wanneer de naoorlogse geboortegolf precies is gestopt.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders